De Indische roots van Geert Wilders

De Indische roots van Louise Fresco
1 augustus 2019
De Indische roots van Waldemar Torenstra
1 augustus 2019
Lees alles

De Indische roots van Geert Wilders

Inleiding

Op het internet werd en wordt ‘gediscussieerd’ over de Indische familieachtergrond van Geert Wilders (geb. Venlo 6 september 1963). Diens band met Nederlandsch-Indië loopt via zijn aldaar geboren grootmoeder maternel Johanna Magdalena Meijer. Haar echtgenoot Johannes Hendrikus Ording, Wilders’ opa dus, was een volbloed Hollander die in de Oost terecht kwam. Hun dochter Maria Anne Ording (geb. Soekaboemi 29 mei 1933) trad te Leeuwarden op 20 juni 1953 in het huwelijk met Johannes Henricus Andreas Wilders (geb. Maasbree 31 augustus 1923 overl. Venlo 22 augustus 2005). Zij werden de ouders van de man die de gemoederen nog steeds bezig houdt en inmiddels een fenomeen genoemd mag worden.

Een fenomeen nodigt uit tot een poging het te doorgronden. Een van degenen die zich daartoe liet verleiden, is bestuurskundige en antropologe doctor Lizzy van Leeuwen. Zij schreef een artikel in De Groene Amsterdammer van 4 september 2009, getiteld ‘Wreker van zijn Indische grootouders. De politieke roots van Geert Wilders’. Zij legt daarin een verband tussen Wilders’ Indische afkomst en islamofobie door feitelijk te stellen dat Indische Nederlanders (oud-kolonialen) het rechts-extremisme (lees: racisme) in het bloed zit en dat de anti-islamhouding en eigen-volk-eerstmentaliteit van Indo Geert Wilders daarom genetisch is bepaald. En passant ziet zij in Wilders’ geblondeerde haar een bewijs voor de stelling dat hij bovendien zijn Indische identiteit ontkent.

Van Leeuwen neemt als vaststaand aan dat er een verband is tussen de etniciteit van de Indische Nederlanders en de betrokkenheid van een aantal leden van de Indische gemeenschap bij het uitbaten van rechtsnationalistisch gedachtegoed. Zij constateert: ‘Het is opvallend hoe constant de deelname was van Indische Nederlanders aan partijvorming op basis van conservatief-nationalistische, (neo)koloniale beginselen, vergeleken met de deelname aan de progressieve beweging. De focus lag daarbij sterk op beschermen en bewaken van grenzen en op insluiten en/of buitensluiten van bevolkingsgroepen.’

Een wetenschappelijk verantwoorde onderbouwing van deze bewering ontbreekt echter. Van Leeuwen noemt alleen enkele namen van Nederlanders met een Indische achtergrond, die in rechts-nationalistische kring actief waren. Uit haar betoog komt het beeld naar voren dat Nederlanders met een Indische achtergrond zonder uitzondering rechtse rakkers zijn, die nog steeds het liefst koloniale toestanden doen herleven en niets van buitenlanders moeten hebben. De (inmiddels opgeheven) Vrije Indische Partij noemt zij in een adem met allerlei extreemrechtse clubs en ziet zij, overigens ten onrechte, als een groepering die tegen de komst van vreemdelingen was. Zij staat bovendien stil bij de steunbetuigingen van Indische Nederlanders voor de V.I.P. Uit het feit dat deze partij inmiddels al weer geruime tijd ter ziele is, kan echter worden afgeleid dat de belangstelling van Indisch Nederland gering en zeker niet blijvend was.

Het artikel van Van Leeuwen brengt, hoewel stigmatiserend voor Indische Nederlanders, overigens wel een interessant punt aan de oppervlakte, namelijk de vraag of Indische Nederlanders meer dan andere Nederlanders betrokken waren bij extreemrechts activisme. In meer algemene zin kan men zich afvragen hoe de politieke voorkeur van de Indische Nederlanders zich in vergelijking met andere (etnische) groepen binnen de Nederlandse samenleving gedurende de laatste halve eeuw heeft ontwikkeld. Voor zover bekend, is hier geen wetenschappelijk onderzoek naar gedaan.

Keren we terug naar de kern van het betoog van Van Leeuwen, dan moeten we geloven dat Wilders’ ideeën rechtstreeks terugvoeren op zijn Indische roots. Het is daarom van belang het voorgeslacht van Wilders nader te beschouwen. Dan blijkt dat genealogisch onderzoek uitwijst dat het met zijn Indische bloed, afhankelijk van hoe men het wil bekijken, sterk mee- of tegenvalt. Van zijn 64 voorouders in de zesde generatie terug (zijn oudovergrootouders) zijn er in elk geval 542 volbloed-Europeaan en drie volbloedAziaat. Verder kwamen vier oudovergrootouders in Nederlandsch-Indië ter wereld, maar is onbekend, of zij volbloed-, dan wel Indo-Europeaan zijn. Van drie oudovergrootouders is onduidelijk waar hun wieg heeft gestaan. Duidelijk is in elk geval dat de overgrote meerderheid (tenminste 84%) van de voorouders van ‘Indo’ Geert Wilders volbloed-Europeanen waren.

Het Indo in de vorige zin staat niet voor niets tussen aanhalingstekens, aangezien het bovendien nog maar de vraag is of Wilders zich cultureel Indisch/Indo voelt. Zowel Wilders, als zijn vader zijn in Nederland geboren en getogen, terwijl Wilders’ in Nederlandsch-Indië geboren moeder sinds haar prilste jeugd in Nederland is opgegroeid. Binnen de familie waarin Wilders volwassen werd, was zijn grootmoeder van moederszijde de enige ‘Indische factor’. Zij woonde overigens al sinds het midden van de jaren dertig – zij was toen achter in de twintig – in Nederland en overleed toen haar kleinzoon nog net geen negentien jaar oud was. Het ligt dus genuanceerder, dan Lizzy van Leeuwen het doet voorkomen. Wilders’ geblondeerde haar lijkt vooral te getuigen van een drang op te vallen of te zijn ingegeven door esthetische overwegingen, maar is – wie zal het zeggen – wellicht alleen bedoeld een vroeggrijzende haardos of, in het geval hij toch een pruik blijkt te dragen, premature kaalheid te verbergen.