Herkomst en naam

Teh Ing Nio leefde in de eerste helft van de negentiende eeuw in Semarang als levenspartner
van de Britse houthandelaar Francis Ord Marshall. Zij is de moeder
van diens zes kinderen en daarmee de stammoeder van de familie Marshall/Marchal in
Nederlandsch-Indië. Haar naam verschijnt in de bronnen ook als The Ing Nio, The Ing Njo of
The Ingnio. De familienaam Teh is de geromaniseerde weergave van het Chinese Zheng (鄭),
één van de grote klanfamilies op Java. De toevoeging Nio is het Hokkien
娘 (niô), een vrouwelijk suffix dat in de Peranakan-traditie als persoonsnaam
of aanspreektitel werd gebruikt en niet een generieke Chinese aanduiding is.

Haar exacte geboortejaar en -plaats zijn niet overgeleverd. Bij de officiële
geboorteaangiften van haar kinderen in Semarang in 1860 schatten de aangevers haar leeftijd
op dertig jaar, wat wiskundig een geboortejaar van omstreeks 1829–1830 zou suggereren;
die schatting is echter niet te rijmen met het geboortejaar van haar oudste kind Fanny (1839).
Als zij bij Fanny’s geboorte veertien of vijftien jaar oud was, een leeftijd die in
negentiende-eeuws Nederlandsch-Indië niet ongebruikelijk was voor een dergelijke relatie,
dan moet zij omstreeks 1824–1825 zijn geboren. De leeftijdsschatting van 1860 was
vermoedelijk een onderschatting van vijf à zes jaar.
Mitochondriaal DNA-onderzoek bij haar nakomelingen toont dat haar moeder een haplogroep droeg
(B4c1b2a2) die geografisch wijd verspreid is over Zuid-China en Zuidoost-Azië, in het
bijzonder over Austronesisch-sprekende bevolkingen van de regio. Dit profiel is consistent
met een Peranakan achtergrond, waarbij over generaties een Chinese vaderslijn met een lokale
moederlijn verbond; een specifieke regio of gemeenschap valt echter niet aan te wijzen.

Leven in Semarang

Marshall vestigde zich definitief op Java nadat zijn huwelijk in Engeland feitelijk was
beëindigd, zonder dat het formeel was ontbonden. Teh Ing Nio leefde met hem samen op de
onderneming Kalimaas, in de omgeving van Semarang. Zij was geen wettige echtgenote; het
niet-gehuwde samenleven dat in koloniaal Nederlandsch-Indië gangbaar was verschafte haar
geen rechtspositie. Zij was analfabeet. Bij de officiële geboorteaangiften van haar kinderen
in maart 1860 kon zij geen handtekening zetten; de aangiften werden gedaan door het bevriende
echtpaar Gustav Adolph Wilhelm Wermuth en Louize Francina Elisabeth Klein. Bij die gelegenheid
verscheen Teh Ing Nio zelf, wonende te Kalimaas, en verklaarde zij in te stemmen met de
opneming van haar kinderen in de Christelijke leer door Francis Ord Marshall als vader.

In de huwelijksakte van haar dochter Ellen (Semarang, 6 april 1860) werd zij omschreven als
“de Chinese vrouw Teh Ing Nio, zonder beroep, wonende te Kalimaas”. De omschrijving
“zonder beroep” staat in contrast met haar geregistreerde eigendom van zeevaartuigen;
yij weerspiegelt de juridische onzichtbaarheid die Chinese vrouwen in het koloniale recht
toekwam, niet haar feitelijke economische positie.

Scheepseigenaarschap

Opmerkelijk is haar geregistreerde eigendom van handelsschepen in de Semarangse scheepvaart.
De Indische almanakken voor de jaren 1848–1856 vermelden haar als eigenaar van de bark
“Anna Maria” (100½ last), de brik “Hap Hien” (97½ last) en de bark
“Naga Laut”; het last was een oude Javaanse tonnenmaat. Samen met Marshall bezat zij
de bark “Ellen” (121½ last), vermoedelijk naar hun dochter vernoemd. Deze vaartuigen
werden ingezet voor houtransport langs de Javaanse kust, de handelsactiviteit die ook
Marshall’s inkomen genereerde. Zo werden in augustus 1850 met de brik “Hap Hien”
499 balken vanuit Semarang naar Batavia vervoerd, en in opeenvolgende maanden volgden
soortgelijke ladingen met de bark “Ellen”.

Eigenaarschap van zeevaartuigen door een Chinese vrouw was in het Semarang van de jaren
1840–1850 zeldzaam maar niet ongekend binnen de Chinese handelsgemeenschap. Het wijst
op een mate van economische zelfstandigheid die haar positie binnen de relatie met Marshall
nuanceert. Omstreeks 1855–1856 gingen de bark “Ellen” en de “Naga Laut” over in
handen van A.H. Meissner; over het lot van de “Anna Maria” en de “Hap Hien” is
niets naders bekend.

Kinderen en nageslacht

Uit de relatie met Francis Ord Marshall werden zes kinderen geboren, van wie er vijf de
volwassen leeftijd bereikten. De vijf oudsten werden op 7 april 1851 gedoopt in de Nederlandse
Hervormde Kerk te Semarang; de jongste, Lucij, werd later apart geregistreerd. Bij de
officiële geboorteaangiften in 1860 kregen de jongere kinderen de geslachtsnaam Marchal
(bij de registratie werd de naam als Marchal gespeld). Het feit dat Marshall zijn kinderen
niet zelf aangeefde en erkende, hangt vermoedelijk samen met zijn nog formeel bestaande
Engelse huwelijk.

Via haar vier stammoeders en -vader vertegenwoordigt Teh Ing Nio het biologische
scharniermoment van de gehele Marshall-familie in Nederlandsch-Indië. Fanny (geb. 1839)
werd stammoeder van de tak die uitkwam bij de families Anemaet en Wentzel; Marie (geb. 1842)
van de tak die via de families De Bruyn Kops, Sayers, Margadant en Guldenaar verder liep;
Ellen (geb. 1843) van het grootste en meest vertakte deel van de familie, waaruit onder anderen
de families Dessauvagie, Buwalda en Vogel voortkwamen; Thomas (geb. 1846) van de tak
Marshall/Smit. Edward Marshall (geb. 1840) overleed ongehuwd te Semarang in 1862. De jongste
dochter Lucij vestigde zich later als pensionhoudster in ’s-Gravenhage en overleed
daar in 1922.

Mitochondriaal DNA-onderzoek bij nakomelingen in de eenentwintigste eeuw heeft de biologische
afstamming bevestigd en de maternale lijn van Teh Ing Nio tot in onze tijd traceerbaar
gemaakt. Haar overlijdensdatum en -plaats zijn niet overgeleverd.