Afkomst en jeugd

George François de Bruyn Kops werd op 28 oktober 1886 geboren te Benkoelen op Sumatra’s Westkust, als zoon van George François de Bruyn Kops sr. — destijds controleur tweede klasse in Benkoelen en later resident van Bali en Lombok (1905–1909), onder wiens bestuur de Bali-expeditie van 1906–1908 plaatsvond — en Gustavine Susanne Peter. Via zijn moeder was hij een achterkleinzoon van de uit Londen afkomstige Francis Ord Marshall, eigenaar en architect van suikerondernemingen in de omgeving van Semarang, en diens Chinese concubine Teh Ing Nio. Zijn jeugd bracht hij door in diverse standplaatsen van zijn vader op Sumatra en vervolgens in Nederland, waar hij zijn middelbaar onderwijs afrondde.

Olympische medaille Londen 1908

Na zijn H.B.S.-diploma te Rotterdam (juli 1904) en tijdens de voorbereiding op het groot-ambtenaarsexamen ontwikkelde hij zich tot een getalenteerd voetballer. Hij speelde aanvankelijk bij Achilles te Rotterdam en vanaf 1904 als linksbuiten bij HBS te Den Haag. Op 29 april 1906 debuteerde hij in het Nederlands elftal in een vriendschappelijke wedstrijd tegen België. In totaal kwam hij driemaal voor Oranje uit en maakte één doelpunt.

In oktober 1908 maakte hij deel uit van de Nederlandse selectie voor het eerste olympische voetbaltoernooi, gespeeld in Londen onder bondscoach Edgar Chadwick. Nederland verloor op 22 oktober in de halve finale met 4–0 van Groot-Brittannië, maar won op 23 oktober met 2–0 van Zweden en veroverde daarmee de bronzen medaille — de eerste olympische medaille ooit behaald door een Nederlandse sportploeg. Zijn interland tegen Zweden was tevens zijn laatste optreden in het Nederlands elftal.

Loopbaan Departement van Financiën

Op 20 november 1909 trad hij in dienst als burgerlijk ambtenaar ter beschikking van de directeur van het Binnenlands Bestuur, geplaatst in de residentie Batavia. Na een korte periode als adspirant-controleur werd hij per 26 mei 1911 werkzaam gesteld op het Departement van Financiën. Via de rangen van waarnemend commies-redacteur (1913), adjunct-referendaris (1915) en referendaris (1919) klom hij op tot administrateur per 13 oktober 1920. Vanaf 1921 was hij werkzaam te Soerabaja als waarnemend en later definitief inspecteur van financiën tweede klasse. Ultimo 1925 volgde overplaatsing naar het hoofdkantoor te Batavia, waar hij in september 1926 werd bevorderd tot waarnemend inspecteur eerste klasse. Op 27 november 1927 werd hij inspecteur-onderhoofd op het hoofdkantoor van de Dienst der In- en Uitvoerrechten en Accijnzen te Weltevreden, en op 2 oktober 1930 hoofdinspecteur tevens hoofd van die dienst, op een wedde van 1.500 gulden per maand.

Directeur Financiën en Raad van Nederlandsch-Indië

Vanaf 20 augustus 1934 nam hij waar als thesaurier-generaal. Op 29 maart 1935 werd hij benoemd tot directeur van het Departement van Financiën te Batavia. In 1938 trad hij op als ondervoorzitter van de Raad van Departementshoofden. Op 21 november 1938 volgde zijn benoeming tot lid van de Raad van Nederlandsch-Indië, het hoogste adviescollege van de gouverneur-generaal. Hij werd daarnaast lid en voorzitter van de bezoldigingscommissie (1938) en van de begrotingscommissie (1939). Bij Koninklijk Besluit van 22 februari 1935 was hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau; op 20 augustus 1937 volgde zijn benoeming tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Oorlog, repatriëring en laatste jaren

Tijdens de Japanse bezetting bleef hij in Nederlandsch-Indië op post. Op 23 november 1945 werd hem eervol ontslag verleend als lid van de Raad van Nederlandsch-Indië. Op 15 januari 1947 werd hij, komende uit Batavia, ingeschreven te Amsterdam. Hij vestigde zich in ’s-Gravenhage, waar hij op 22 november 1979, op 93-jarige leeftijd, overleed. Zijn echtgenote Adé van Vliet was hem op 11 januari 1978 voorgegaan.