Albert Theodore Leonard Carel Anthing Vogel
Genealogische gegevens
Maria Joanna Ursinus (Joan) van Straaten (1922–2009).
Evertine Gerrie (Tientie) Muller (1931–2012), pianiste.
Elizabeth van Welzenis (1932–2005).
Elisabeth Henriette (Liesje) van Hasselt (1927–2014), dr. van Mr. Dr. Barthold Theodoor Willem van Hasselt, directeur-generaal van Shell, en Elisabeth Henriette Versteegh.
1. Ellen Irene Anthing Vogel, geb. ‘s-Gravenhage 3 mei 1945.
Biografie
Albert Vogel werd op 2 maart 1924 geboren te ‘s-Gravenhage als jongste kind en enige zoon van de voordrachtskunstenaar Louis Albert Vogel en de voordrachtskunstenares Ellen Buwalda, die optrad onder de artiestennaam Ellen Vareno. Hij groeide op in een theaterfamilie: zijn oudste zus Tanja Vogel (*1919) werd balletdanseres, zijn middelste zus Ellen Vogel (1922–2015) groeide uit tot een van de eerste naoorlogse sterren van het Nederlandse toneel en vertolkte op haar beurt een dominante plaats op de Haagse cultuurpodia. Via zijn moeder stamde hij af van de Semarangse onderneminsgfamilie Buwalda, en via zijn grootmoeder Marie Dessauvagie in vijfde generatie van de Brit Francis Ord Marshall en diens Chinese concubine Teh Ing Nio. De Indisch-koloniale wortels speelden in het artiestenmilieu van de familie een symbolische rol: tijdens de Duitse bezetting trad hij samen met zijn zus Tanja op onder de schuilnamen Peter van Velzen en — veelzeggend — Tanja Marshall.
Voordrachtskunstenaar (1942–1962)
Na een jaar aan de Toneelschool (1941–1942) debuteerde hij in maart 1942 in de aula van het Haags Gemeentemuseum met een declamatie- en dansprogramma, samen met zijn zus Tanja. Het was in meerdere opzichten een gewaagd debuut: in bezet Nederland, onder schuilnaam, en in een traditie — die van de voordrachtskunst van zijn vader Albert Vogel sr. — die de tijdgeest allang voorbij leek te streven. Na de bevrijding maakte hij snel naam. Al in 1946 werd hij door het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen uitgezonden naar Nederlandsch-Indië om op te treden voor landgenoten — een tournee die hij in 1948 en 1956 zou herhalen, en in 1957 samen met zijn zus Ellen. In de jaren veertig en vijftig droeg hij in schouwburgen in heel Nederland voor uit werk van Louis Couperus, Anton Tsjechow, Gustave Flaubert, William Shakespeare, Hans Christian Andersen, Edgar Allan Poe, Federico García Lorca en Albert Helman. Om in zijn levensonderhoud te voorzien combineerde hij zijn avondoptredens met onderwijs: van 1948 tot 1964 was hij leraar voordrachtskunst aan het Koninklijk Conservatorium voor Muziek te Den Haag, en daarnaast doceerde hij welsprekendheid aan de Hogere Krijgsschool — net zoals zijn vader voor hem had gedaan. Tussen 1947 en 1962 gaf hij bovendien met pianist Willem Hielkema schoolconcerten op middelbare scholen in heel Nederland.
Literaire one-man-shows en Couperus (1962–1975)
In 1962 zette hij een nieuwe lijn in: de literaire one-man-show, naar Brits voorbeeld. Van en over Couperus beleefde op het hoogtepunt meer dan tweehonderd voorstellingen per jaar, werd op grammofoonplaten vastgelegd en vormde de basis voor een levenslange vereenzelviging met de schrijver uit het Haagse fin-de-siècle. In 1964 volgde Portret van Andersen, in 1966 het viertalig uitgevoerde Dagboek van Europa — met brieven en dagboekfragmenten van prominente Europeanen van Napoleon tot Joseph Goebbels — en later Vogelvlucht. “Een acteur beeldt uit, een voordrachtskunstenaar roept op”, zei hij graag; zonder kostuum en met nauwelijks rekwisieten bracht hij geheel alleen gesprekken tussen verschillende personen, atmosferen en dramatische gebeurtenissen tot leven. Aan de tv-series die NOS en NCRV tussen 1969 en 1976 aan drie grote Couperus-romans wijdden — De kleine zielen, De stille kracht en Van oude mensen, de dingen, die voorbijgaan — leverde hij adviseurswerk, en in 1973 bracht hij de levensbeschrijving De man met de orchidee uit — later heruitgegeven als Louis Couperus. Postuum verscheen in mei 1982 de bloemlezing Van week tot week. Intieme impressies van Louis Couperus.
Mecenas van de avant-garde: Galerie Orez (1964–1971)
Parallel aan zijn voordrachtscarrière ontwikkelde hij zich tot verzamelaar en mecenas van moderne beeldende kunst. Van 1964 tot 1971 leidde hij samen met Leo Verboon in Den Haag de Internationale Galerie Orez — de omkering van ‘Zero’, de toenmalige Nederlandse kunststroming waaraan onder meer Jan Schoonhoven en Armando verbonden waren. Orez werd een internationaal platform voor avant-garde kunst: onder de gepresenteerde kunstenaars bevonden zich de Japanse Yayoi Kusama en Jan Schoonhoven, tot op heden twee van de meest tentoongestelde namen uit deze periode. De galerie opereerde vanuit de Javastraat, waar Vogel daarna nog tot 1981 de Internationale Projektstudio Ornis dreef. Het is een opmerkelijke biografische dwarsverbinding: in zijn voordrachten koesterde Vogel het Haagse fin-de-siècle van Couperus, terwijl hij in zijn kunsthandel de meest radicale moderniteit van de jaren zestig ondersteunde.
Dandy, vier huwelijken, en terugtrekking
Albert Vogel jr. trouwde viermaal — achtereenvolgens met Joan van Straaten (1945, de dochter van het gezin bij wie hij in de oorlog ondergedoken had gezeten), de pianiste Tientie Muller (1952), Elizabeth van Welzenis (1958) en Liesje van Hasselt (1960), dochter van de directeur-generaal van Shell B.T.W. van Hasselt. Uit het eerste huwelijk werd dochter Ellen Irene geboren, die in Zwitserland een eigen leven opbouwde; met zijn stiefdochter uit het vierde huwelijk, Caroline de Westenholz — later kunsthistorica, biograaf van Albert Vogel sr. en oprichter van het Louis Couperus Museum (1996–2024) — bouwde hij een hechte band op. In 1970 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In zijn laatste tien levensjaren trad hij nauwelijks meer op: hij was ervan overtuigd dat ‘declameren’ een uitstervend vak was, een oordeel dat de jaren zeventig — die het voordragen van literatuur als elitaire bezigheid bestempelden — goeddeels leken te bevestigen. Hij ontwikkelde in die periode de persona van de gentleman-kunstenaar uit een vroegere eeuw, een ‘ironische dandy’ die K. Schippers een ‘melancholische dandy’ noemde. Hij overleed te Leiden op 30 april 1982, op 58-jarige leeftijd.
Bronnen en literatuur
- Caroline de Westenholz, ‘Vogel, Albert Theodore Leonard Carel (1924–1982)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland 6 (Huygens ING). — Raadplegen via Huygens ING →
- Caroline de Westenholz, Albert Vogel 1924–1982. Voordrachtskunstenaar en mecenas (Leiden: Uitgeverij Lias, 2024).
- Caroline de Westenholz, De Vogels. Een flamboyante theaterfamilie (2014).
- Caroline A. Rehorst-de Westenholz, ‘Albert Theodore Carel Anthing Vogel (Albert Vogel)’, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1982–1983, pp. 173–180.
- TheaterEncyclopedie, lemma Albert Vogel. — Raadplegen →
- Diverse recensies en interviews in NRC Handelsblad, De Volkskrant, Haagsche Courant en Elsevier’s Weekblad 1946–1982.
- P.J.C. Martens en R.S. Ravestijn, Een Engelsman op Java. IGV, ‘s-Gravenhage 2019.
Auteur: Ralph S. Ravestijn. © BWNI. In bronvermeldingen aan te halen als: Anthing Vogel, Albert Theodore Leonard Carel, ‘Biografisch Woordenboek van Nederlandsch-Indië’, indischgenealogischerfgoed.nl/bwni/anthing-vogel-albert-theodore-leonard-carel/

