Afkomst en jeugd

Johan de Bruyn Kops werd op 26 april 1890 geboren te Amboina in de Molukken, waar zijn vader George François (Frans) de Bruyn Kops — later Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau — destijds gestationeerd was als bestuursambtenaar. Zijn vader zou bekend worden als resident van Bali en Lombok (1905–1909), belast met het civiele beheer van Bali in de nasleep van de Puputan-interventie van 1906, en later van Riouw en Onderhorigheden. Johan was jongere broer van George François (Frans) de Bruyn Kops jr. (1886–1979, olympisch brons voetbal 1908, lid Raad van Nederlandsch-Indië) en oudere broer van dr. Johan Hendrik (Henri) de Bruijn Kops (1888–1969, hoofdgouvernementsarts). Via zijn grootmoeder Fanny Marchal stamde hij in vierde generatie af van de Brit Francis Ord Marshall en diens Chinese concubine Teh Ing Nio.

Studie en begin carrière bij de N.I.S. (1908–1923)

Johan de Bruyn Kops werd voor zijn opleiding naar Nederland gestuurd. Hij behaalde op 29 juli 1908 het vijfjarige H.B.S.-diploma te Delft en studeerde daar aansluitend aan de Technische Hoogeschool, waar hij in januari 1915 zijn diploma civiel ingenieur behaalde, met als specialisatie bruggen- en ijzerconstructies. Na enige overbruggingsjaren vertrok hij naar Nederlandsch-Indië, waar hij in 1917 als adspirant-ingenieur in dienst trad van de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij (N.I.S.) te Semarang, en in 1918 werd overgeplaatst naar Babat in de residentie Soerabaja. Op 28 februari 1920 huwde hij te Batavia Tilly de Kat, dochter van ir. Rutger de Kat — directeur van de Staatsmijnen in Limburg en kort na dit huwelijk directeur van het Departement der Gouvernementsbedrijven in Nederlandsch-Indië. Op 1 april 1919 was hij tot ingenieur bevorderd; op 18 augustus 1919 werd hem echter op eigen verzoek eervol ontslag verleend bij de N.I.S. Van 1920 tot 1923 werkte hij als agent van het ingenieursbureau Bakker Meyboom te Soerabaja, een technisch-adviesbureau actief in constructie-advies voor suikerondernemingen en havens.

Werkspoor: van chef Bureau IJzerconstructie tot directielid (1924–1945)

Op 8 maart 1924 vertrok hij met het s.s. Insulinde naar Rotterdam en vestigde zich te Hilversum. In datzelfde jaar trad hij in dienst van de Koninklijke Nederlandsche Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmaterieel — beter bekend als N.V. Werkspoor — te Utrecht. Werkspoor, in 1891 heropgericht met steun van Stork, was in de jaren twintig de grootste Nederlandse machinefabriek, met omstreeks tienduizend werknemers verdeeld over de vestigingen in Amsterdam en Zuilen. Het bedrijf vervaardigde stoommachines, scheepsdieselmotoren, spoorwagons, locomotieven en grote brugconstructies, en had een dominante positie op de Nederlandse markt voor spoorwegmaterieel. Ook voor de N.I.S. — zijn vroegere werkgever — was Werkspoor een belangrijke leverancier.

Johan de Bruyn Kops begon als chef van het Bureau IJzerconstructie, de afdeling verantwoordelijk voor het ontwerp van bruggen, staalconstructies en dragende onderdelen van spoorwegrollendmaterieel — precies het vakgebied van zijn Delftse studie. In 1934 en 1936 wordt hij in vakpublicaties vermeld als hoofdingenieur. Op 15 november 1940, reeds in bezet Nederland, nam hij namens Werkspoor deel aan besprekingen tussen Duitse en Nederlandse industriëlen te ’s-Gravenhage. In die periode was hij reeds opgeklommen tot lid van de directie, een positie die hij tot aan zijn overlijden zou bekleden.

Overlijden in oorlogstijd (februari 1945)

Johan de Bruyn Kops overleed op 11 februari 1945 te Hilversum — vier maanden na het begin van de Hongerwinter, drie maanden voor de bevrijding, op 54-jarige leeftijd. Zijn weduwe Tilly de Kat hertrouwde op 27 februari 1948 te Hilversum Willem Anne Philip Christiaan Pennink en overleefde hem eenendertig jaar. Uit het huwelijk kwamen drie kinderen voort; zijn zoon Rutger Willem de Bruyn Kops trad in de voetsporen van zijn vader als employé van N.V. Werkspoor.