Afkomst en jeugd

Johan Hendrik — Henri — de Bruijn Kops werd op 25 juni 1888 geboren te Benkoelen op Sumatra’s Westkust, als tweede zoon van de toen aldaar gestationeerde controleur George François de Bruyn Kops en Gustavine Susanne Peter. Zijn vader zou opklimmen tot resident van Bali en Lombok (1905–1909) — onder wiens bestuur de Bali-expeditie van 1906–1908 viel — en daarna van Riouw en Onderhorigheden. Via zijn grootmoeder Fanny Marchal stamde Henri in vierde generatie af van de Brit Francis Ord Marshall en diens Chinese concubine Teh Ing Nio, het Indisch stamouderpaar te Semarang uit het midden van de negentiende eeuw. Hij was een jongere broer van Frans de Bruyn Kops (1886–1979), die als lid van het Nederlands elftal op de Olympische Spelen van 1908 te Londen de bronzen medaille veroverde en later directeur van het Departement van Financiën en lid van de Raad van Nederlandsch-Indië zou worden.

Studie geneeskunde te Utrecht (1907–1917)

Hij studeerde aan de Rijksuniversiteit Utrecht en voltooide daar achtereenvolgens het propedeutisch examen natuurkunde (oktober 1907), het theoretisch examen geneeskunde (december 1914) en het artsexamen (februari 1917). De lange studieduur was voor Indische medici van zijn generatie niet ongebruikelijk: een deel van de studenten combineerde de studie met stages en practica in de tropische geneeskunde, en de Eerste Wereldoorlog bemoeilijkte bovendien de logistiek. Op 29 maart 1921 trouwde hij te Velsen met de negentienjarige Maria Elisabeth (Rietje) Extra, uit een onderwijzersgezin uit Losser. Op 9 mei 1921 werd hij uit Utrecht uitgeschreven naar Batavia.

Gouvernementsarts Benkoelen en Padang (1921–1927)

Op 24 juni 1921 werd hij benoemd tot waarnemend gouvernementsarts bij de Burgerlijke Gezondheidsdienst op 750 gulden per maand, werkzaam gesteld te Benkoelen — zijn eigen geboorteplaats. Het was een klassieke aanstelling voor een beginnend Indisch gouvernementsarts: in de Buitengewesten deden jonge artsen een breed scala aan werkzaamheden, van poliklinische zorg tot pokkenvaccinatie en tropenhygiëne. In 1924 werd hij overgeplaatst naar Padang, waar hij in januari 1926 werd bevorderd tot waarnemend gouvernementsarts eerste klasse en in juli van dat jaar definitief benoemd. In november 1927 vertrok hij op zijn eerste Europees verlof.

Pestbestrijding in Indramajoe (1928–1933)

Het keerpunt in zijn loopbaan kwam op 23 juli 1928, toen hij werd aangesteld als fungerend gewestelijk leider bij de Dienst voor de Pestbestrijding in de residentie Cheribon, met als standplaats Indramajoe. Deze functie plaatste hem in de frontlinie van een van de grootste volksgezondheidscampagnes van het koloniale bestuur: de pest-epidemie die in de periode 1911–1926 naar schatting 120.000 slachtoffers had geëist, vooral op Java. Onderzoek had uitgewezen dat de bruine rat (Rattus rattus) in de holten van bamboe woningsegmenten de pest verspreidde, en de Dienst der Pestbestrijding liet daarom op grote schaal woningen vervangen door constructies van steen, cement en massief hout — in totaal meer dan anderhalf miljoen huizen. Cheribon en Indramajoe behoorden tot de zwaarst getroffen residenties. Als gewestelijk leider coördineerde hij de medische component van dit werk: surveillance, ratvangcampagnes, desinfectie van besmette haarden en vaccinaties. Op 31 maart 1933 werd hij bevorderd tot hoofdgouvernementsarts te Cheribon.

Midden-Java en de Dienst der Volksgezondheid (1935–1941)

Na een tweede Europees verlof in 1934–1935 werd hij in Cheribon herbenoemd en tevens belast met het geven van onderricht in verbandleer, eerste hulp bij ongelukken en ontsmettingsleer aan het personeel van de Staatsspoorwegen aldaar. Op 25 januari 1937 volgde zijn benoeming tot hoofdresidentie-arts bij de provinciale dienst van de volksgezondheid van Midden-Java, standplaats Poerwokerto. Op 30 mei 1939 werd hij inspecteur bij de Dienst der Volksgezondheid, ter beschikking gesteld van de provincie Midden-Java, op een wedde van 1.000 gulden per maand. In november 1941 werd hij ondervoorzitter van het Centraal Genootschap voor Kinderherstellings- en Vacantiecolonies in Nederlandsch-Indië — een organisatie die bijzonder op jonge tuberculose- en anemiëpatiënten was gericht.

Oorlogsjaren, repatriëring en laatste jaren

Tijdens de Japanse bezetting bleef hij op Midden-Java. Bijzonder aangrijpend moet voor hem zijn geweest dat zijn oudste zoon Pim, die al in 1941 naar Nederland was gegaan om te studeren, zich vanuit bezet Nederland op een ontsnappingsroute naar Engeland begaf en daar als oorlogsvlieger bij het 320 (Dutch) Squadron RAF diende — een informatievoorziening die door de oorlog uiteraard fragmentarisch was. Na de bevrijding werd hij op 27 december 1946, komende uit Semarang, ingeschreven te Hilversum. Hij vestigde zich later in ’s-Gravenhage, waar hij nog enige tijd praktijk hield als arts. Hij overleed aldaar op 16 maart 1969, op 80-jarige leeftijd. Zijn tweede echtgenote Frida Plas overleefde hem achtentwintig jaar.