Afkomst en jeugd

Ellen Buwalda werd op 16 augustus 1890 geboren te Semarang, in het huis van een succesvol Indisch-Nederlandse ondernemingsfamilie. Haar vader Pieter Buwalda was als zestienjarige uit Hilversum naar Nederlandsch-Indië vertrokken en had zich via de administrateursbetrekking op de Semarangse djatibosonderneming Seprèh opgewerkt tot zelfstandig houthandelaar; in 1894 droeg hij zijn twintig Javase gouvernements-djatiboscomplexen over aan de in Amsterdam gevestigde Javasche Bosch-Exploitatie Maatschappij voorheen P. Buwalda Co., waarin hij zelf voor f 350.000 participeerde — een substantieel familievermogen dat het latere leven van zijn kinderen zou ondersteunen. Haar moeder Marie Dessauvagie was via haar grootmoeder Ellen Marchal kleindochter van de Brit Francis Ord Marshall en diens Chinese concubine Teh Ing Nio, het Indisch stamouderpaar van de Semarangse Marshalls. Ellen was het vierde kind en tweede dochter in een gezin dat heen en weer pendelde tussen Java en Europa.

Opleiding in Genève en Nederland (ca. 1900–1916)

Zoals in haar sociaal-economische klasse gebruikelijk was, werd Ellen Buwalda een deel van haar opleiding in Europa gegeven, in haar geval te Genève. In Zwitserland maakte zij kennis met het klassieke Europese literaire en theatercanon; vloeiend Frans was een vanzelfsprekendheid, en Italiaans en Duits behoorden later eveneens tot het repertoire van haar voordrachtsprogramma’s. Op 19 juli 1910, op twintigjarige leeftijd, werd zij vanuit Genève te ’s-Gravenhage ingeschreven. Zij koos het pad van de voordrachtskunst, een kunstvorm die in de jaren na de eeuwwisseling in Nederland opbloeide als onderdeel van de grotere beweging van literaire podiumcultuur. Nog vóór haar huwelijk maakte zij haar officiële debuut onder de artiestennaam Ellen Vareno — naar Indische overlevering te Hilversum, waar haar familie eigenaar was geweest van het logement Hof van Holland en van de bekende diligencediensten Buwalda & Co., en waar haar naam nog een aantal generaties na haar optreden in de herinnering is blijven voortleven.

Ontmoeting met Albert Vogel sr. en huwelijk (1916)

Tijdens de Eerste Wereldoorlog ontmoette zij in Den Haag de zestien jaar oudere reserve-officier en voordrachtskunstenaar Louis Albert Vogel (Albert Vogel sr.), destijds als reserve-kapitein gemobiliseerd in Utrecht en later in Groningen. Vogel had in 1899 zijn openbare debuut gemaakt en zich in de jaren daarna, eerst als ‘dilettant-voordrachtskunstenaar’ naast zijn militáire functie, ontwikkeld tot een van de meest gevraagde voordrachtskunstenaars van Nederland. Hij was gefascineerd door de jongere Ellen Buwalda — zelf ‘een begaafd voordrachtskunstenares’ — en bood haar onmiddellijk aan haar talent verder te ontwikkelen. Na de echtscheiding van Vogels eerste huwelijk in mei 1916 traden beiden op 1 augustus 1916 te Hilversum in het huwelijk. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren: Tanja (1919), Ellen (1922) en Albert (1924). Het gezin vestigde zich in Den Haag, in de villa Huize Elisavetha, die in de jaren twintig en dertig uitgroeide tot een ontmoetingsplek van familie, vrienden, politici, acteurs en andere kunstenaars.

Haagse Kunstkring en voordrachtspraktijk (jaren twintig en dertig)

In de jaren twintig en dertig bouwde Ellen Vareno een zelfstandige reputatie op. Binnen de Haagse Kunstkring — in die periode het toonaangevende literair-artistieke forum van de residentie — was zij een van de vaste gastvoordrachtskunstenaars: ‘ettelijke voordrachtavonden’ vulde zij, soms tezamen met haar echtgenoot, met werk van Louis Couperus, de Franse dichters Paul Fort en Charles Péguy, en de Nederlandse dichter Jan Prins. Haar specialisme werd het oeuvre van Louis Couperus, de Haagse schrijver die tot op de dag van vandaag onlosmakelijk met de familie Vogel verbonden is gebleven. Haar jongste dochter Ellen deelde later herinneringen aan scènes uit haar jeugd: ‘Toen ik vijf jaar was mocht ik mee naar De Witte in de duinen. Daar ging mijn moeder in een grote badstoel “De dood van Vesta” (Couperus) uit haar hoofd zitten leren. Ik zat zo’n beetje om die stoel heen in het zand te spelen en als daar dan die prachtige teksten klonken, dan drong dat als een soort regen in mijn huid.’ In dezelfde jaren maakte het echtpaar Vogel ook Europese tournées. Met Koninklijk Besluit van 18 februari 1933 werd hun familienaam op verzoek door naamstoevoeging gewijzigd in Anthing Vogel.

Weduwschap, oorlog en nalatenschap (1933–1985)

Op 8 november 1933 overleed Albert Vogel sr. te Den Haag — op 59-jarige leeftijd, na een acute hartaanval, totaal onverwacht. Ellen Buwalda was toen 43 jaar en moeder van drie kinderen in de puberleeftijd. Zij zette haar voordrachtspraktijk voort, zij het minder publiek zichtbaar. Tijdens de Duitse bezetting traden haar beide oudste kinderen Tanja en Albert op onder schuilnamen — respectievelijk Tanja Marshall en Peter van Velzen — waarmee de Indische familiewortel opnieuw in het theatervëld werd gebracht. Na de bevrijding zag Ellen Buwalda alle drie haar kinderen doorbreken: Ellen werd een van de eerste sterren van het Nederlandse naoorlogse toneel, Albert een gevierd Couperus-vertolker en mecenas van moderne kunst, Tanja een balletpedagoog. Zij overleefde haar echtgenoot met tweeënvijftig jaar en overleed te Den Haag op 16 februari 1985, op 94-jarige leeftijd. In de naoorlogse Haagse theaterwereld bleef zij bij insiders bekend als de matriarch van de familie Vogel — de voordrachtskunstenares die aan het begin stond van een theaterdynastie die drie generaties zou beslaan.