Indo-Europese jeugd op Java

Jan Boon werd op 10 januari 1911 in Nijmegen geboren, in de Dominicanenstraat. Zijn vader, Cornelis Boon, was zoon van een Betuwse hereboer en had voor het Indische leger getekend; in 1909 was hij in Indië gehuwd met Fela Robinson, dochter van een Engelse KNIL-collega en een Javaanse moeder. De Nijmeegse geboorte viel in een Europees verlof van het echtpaar; toen Jan drie maanden oud was vertrok het gezin terug naar Nederlandsch-Indië. Zijn jeugd speelde zich af in Meester Cornelis (thans Jatinegara), waar hij de lagere school doorliep, en in Batavia waar hij MULO volgde. Hij was een ijverig en bovengemiddeld atletisch leerling; aan de Atletiekkampioenschappen van Java in 1933 behaalde hij zilver in het hoogspringen en goud in de vijfkamp.1

Het Indo-Europese karakter van het ouderlijk milieu, de verbinding van een Hollandse vader uit het militaire circuit met een Indo-Europese moeder uit een Engels-Javaans gezin, vormde een tweetaligheid en tweecultuurlijkheid die Boon later tot het thematisch centrum van zijn werk zou maken. Hij verklaarde zich nadrukkelijk niet als ‘halve Nederlander en halve Indonesiër’ maar als dubbel bevoorrechte, een formulering die binnen de na-oorlogse Indische gemeenschap het zelfbeeld van een hele generatie zou herijken.2

Onderwijzer, journalist en kampoverlever

Na een korte periode als onderwijzer aan zogenaamde wilde, ongesubsidieerde scholen op Java en Sumatra werd Boon in 1936 sportredacteur van het Bataviaasch Nieuwsblad, met daarnaast een rubriek voor kinderen. De keuze voor de journalistiek was definitief. Bij de Japanse inval in maart 1942 raakte hij krijgsgevangen en werd hij geïnterneerd in het kamp Tjimahi (West-Java); later werd hij doorgevoerd naar het beruchte Changi-kamp bij Singapore. In Tjimahi behoorde hij tot een kleine kring intellectuelen onder wie Leo Vroman en Rob Nieuwenhuys, die literaire activiteit gaande hielden; Boon bracht een kampperiodiek Kampkroniek en een pamflet Onschendbaar Domein uit. Over de oorlogsjaren zelf schreef hij later weinig; ze verschijnen in zijn werk als ondergrond eerder dan als onderwerp.3

Na de bevrijding bleef hij in Indië en werd hij hoofdredacteur van Wapenbroeders, het tijdschrift van de Legervoorlichtingsdienst. Hij stapte vervolgens over naar de Regeringsvoorlichtingsdienst en werd te Kediri (Oost-Java) gestationeerd, een gebied dat tijdens de poliëtiële acties zwaar onrustig was. In 1952 ging hij naar het te Jakarta verschijnende dagblad Nieuwsgier, onder hoofdredactie van J.H. Ritman, en tegelijkertijd werd hij redacteur van het cultureel maandblad Oriëntatie. In Nieuwsgier schreef hij het grootste deel van zijn later in twee delen gebundelde Piekerans van een straatslijper, columns in een Indisch gekleurd Nederlands met sterke inslag van het Petjok en het Bataviaas. Het pseudoniem Tjalie Robinson, samengesteld uit een Indische bijnaam en de moederlijn, was vanaf de jaren veertig zijn handelsmerk voor de journalistiek; voor literair proza koos hij Vincent Mahieu, een naam die hij voor het eerst als pseudoniem in 1955 gebruikte voor de bundel Tjies, kort daarna gevolgd door Tjoek (1960).4

Repatriëring 1954, oprichting Tong Tong en Pasar Malam

Op 22 mei 1954 vertrok het gezin Boon-Van Zele uit Indonesië naar Nederland. Voor Tjalie Robinson, die sinds zijn derde levensmaand in Indië had gewoond, was dit een breuk; hij had bovendien tot het laatste moment geprobeerd te geloven in een toekomst voor de Indo-Europeanen in de jonge Republiek. Het naoorlogse Nederland verwachtte van repatrianten in hoge mate stille assimilatie. Daartegen verzette Tjalie Robinson zich publicistisch met grote vasthoudendheid. Vanuit het bestaande tijdschrift Onze Brug, een aanvankelijk op Nieuw-Guinea gericht maandblad dat sinds 1956 verscheen, ontwikkelde hij in 1957 als nieuwe hoofdredacteur een Indische publiekstraditie; in 1958 hernoemde hij het tot Tong Tong, ‘het enige Indische tijdschrift in Nederland’. Het blad bereikte op de top, in 1961, ruim 11.000 betalende abonnees en een geschatte 77.000 lezers, ongeveer een derde van de toenmalige Indo-Europese gemeenschap in Nederland.5

Op 6 mei 1959 werd te Den Haag de Indische Kunstkring Tong Tong opgericht; om financiën voor cultureel programma te genereren, organiseerde de kring van 3 tot en met 5 juli 1959 een eerste Pasar Malam in de Haagse Dierentuin, drie dagen lang en met 3.000 bezoekers. Mede-organisator van het eerste uur was Mary Brückel-Beiten. De Pasar Malam, vanaf 1976 Pasar Malam Besar geheten en sinds 2009 onder de naam Tong Tong Fair, groeide uit tot het grootste Indische culturele evenement in Nederland en werd op de hoogtijdagen door meer dan 100.000 bezoekers per editie bezocht. In 2024 ging de Tong Tong Fair failliet, het einde van een evenement dat ruim zes decennia lang als een Indisch lieu de mémoire in de Nederlandse openbaarheid had gefungeerd.6

Califonië 1962–1966 en de Indo-diaspora in de Verenigde Staten

Tjalie Robinson, met de overtuiging dat de Indische identiteit niet aan land of staat gebonden was maar in elke diaspora-context opnieuw verbeeld moest worden, zocht de Indische gemeenschap die zich vanaf 1949 in de Verenigde Staten had gevestigd. In 1961 nam hij eerst het initiatief tot een Indo-enclave ‘El Atabal’ in Spanje, waarvan de uitwerking beperkt bleef. In 1962 emigreerde het gezin naar Whittier in Californië. Daar richtte Tjalie in 1963 het tijdschrift The American Tong Tong op en in Victorville, in de Mojave-woestijn, het Indo Community Center ‘De Soos’, waarvan het lidmaatschap was voorbehouden aan abonnees van het blad. De Amerikaanse jaren leverden hem een intellectueel raamwerk waarin hij de Indo-cultuur vergeleek met andere Latijns-Amerikaanse en Caribische mengculturen, en met het werk van José Ortega y Gasset over perspectivisme. Toen in Nederland de exploitatie van Tong Tong financieel dreigde te haperen, keerde het gezin in 1966 terug.7

Schrijverschap onder Vincent Mahieu

Voor zijn meer literaire prozawerk gebruikte Boon vanaf 1955 het pseudoniem Vincent Mahieu, een naam die taal- en sociale-stand-distantie suggereerde tegenover het volkse Tjalie Robinson. Onder Mahieu verschenen Tjies (1955; in 1958 bekroond met een literaire prijs van de gemeente Amsterdam) en Tjoek (1960), bundels die door de Indische, koloniale en kosmopolitische literatuur-kritiek tot de oorspronkelijkste Nederlandstalige korte verhalen van de naoorlogse generatie zijn gerekend. De titels (beide aanduidingen voor een geweer) en het terugkerend motief van de jacht weerspiegelen de Indische leefwereld die Boon kende, met de jacht als parabel van een waardig en risicovol leven. Piekerans van een straatslijper, in twee delen verzameld door Tong Tong (Bandung, ca. 1952–1954), bracht zijn columns voor het brede publiek bijeen. Andere postuum verzamelde werken zijn Piekerans bij een voorplaat (1975), Ik en Bentiet (1975) en Schuilen voor de regen (1989). Rudy Kousbroek typeerde hem in een veel geciteerde formule als ‘een van de grootste Nederlandse schrijvers’; Rob Nieuwenhuys gaf hem in zijn Oost-Indische Spiegel een stevige plaats in de Nederlandse koloniale literatuur.8

Nalatenschap en plaats in de Indische geschiedenis

Tjalie Robinson stierf op 22 april 1974 te ’s-Gravenhage, drieënzestig jaar oud. Zijn as werd naar Indonesië overgebracht, conform zijn eigen wens. De redactie van Tong Tong werd door zijn weduwe Lilian Ducelle voortgezet; in 1978 kreeg het tijdschrift, na een conflict over het naamrecht, de huidige naam Moesson. Na Lilian Ducelle (tot 1991) en de hoofdredacteur Ralph Boekholt namen achtereenvolgens dochter Vivian Boon sr. (1993–2001) en daarna haar opvolgers het blad over; in 2020 keerde het hoofdredacteurschap met kleindochter Vivian Boon weer terug binnen de familie Boon.9

Voor de Indische geschiedenis is Tjalie Robinson de definitieve voorman van de na-oorlogse Indo-Europese cultuurbeweging. Met Tong Tong, de Pasar Malam en zijn Mahieu-prozawerk maakte hij van een persoonlijke ervaring een collectief geheugen, in een periode waarin de Nederlandse staat en publieke opinie van Indische repatrianten primair een snelle assimilatie verwachtten. Zijn formulering ‘levende monumenten voor een onsterfelijk verleden’ werd het programmatische motto van een generatie die zich weigerde te laten vervlakken. Bij de Standbeeld-loze monumentaliteit van zijn werk past dat de Nijmeegse straat waarin hij geboren werd, in de jaren tachtig zijn naam kreeg, evenals een straat in Amersfoort en het door Stichting Tong Tong (sinds 1985 jaarlijks toegekende) cultureel programma op de Pasar Malam Besar.10