Indo-Europese jeugd op Java

Jan Leonard Broekveldt, geboren te Banyumas op Midden-Java op 4 oktober 1906, groeide op als zoon van een hoge Nederlandse ambtenaar en een Indo-Europese moeder. Zijn vader was tevens amateur-archeoloog, hetgeen Leetje al jong in aanraking bracht met wajang, hindoeïstische cultuur en de Javaanse godenmythen. Wanneer zijn ouders op reis waren logeerde hij bij een lokale regent, in een huishouden waar de kinderen Javaanse danslessen kregen; hier ontstond de basis voor wat later zijn levenswerk zou worden.1

Toneeldebuut en kunstenaarsnaam

In de jaren dertig vertrok Broekveldt naar Nederland en begon een moderne dansopleiding bij Igor Schwezoff aan de school van Darja Collin. Daar ontmoette hij in 1933 Tine Dekker; in oktober 1935 trouwden zij. In datzelfde jaar maakte hij zijn toneeldebuut bij het cabaret van Amsy Moïna, waar hij invalde als Raden Pandji. Voor deze rol leerde hij van Raden Mas Waloejo drie klassieke Javaanse dansen die hij gedurende zijn hele carrière in zijn repertoire zou houden. Hij speelde ook in het antifascistische toneelstuk De beul van Pär Lagerkvist onder regie van Albert van Dalsum, dat na enkele voorstellingen door de NSB-druk werd verboden.

Toen Raden Mas Jodjana, de toonaangevende beoefenaar van Javaanse dans in Nederland, naar Frankrijk verhuisde, nam Broekveldt op 4 april 1936 de kunstenaarsnaam Indra Kamadjojo aan en debuteerde onder die naam.2

Oorlogsjaren en omstreden propaganda

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd Broekveldt opgeroepen voor militaire dienst en gelegerd in Woudrichem. Na de Nederlandse capitulatie aanvaardde hij de opdracht om in een artikelreeks Herinneringen van een Danser in De Haagsche Post de contouren te schetsen van een nieuwe dansorde voor Nederland; achteraf bleek dit onderdeel van de Duitse propagandacampagne voor het verheerlijken van het dansvak. Toen hem in 1941 duidelijk werd dat de Indische danskunst daarin niet werd geapprecieerd, trok hij zich uit dat traject terug, ofschoon hij wel een werkvergunning had aangevraagd bij de Nederlandsche Kultuurkamer. De oorlogsjaren leverden niettemin tal van optredens op tot de hongerwinter; recensies bleven gunstig, ook al zat het concertgebouwpubliek in de oorlogsperceptie gemerkt als sympathiserend met de bezetter.

Internationale carrière na de oorlog

Na de bevrijding bouwde Indra een internationale carrière uit met optredens in Denemarken, Noorwegen, Zweden, Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk, Tsjechoslowakije en Hongarije. Hij was de eerste Nederlandse artiest die in de Verenigde Staten op televisie optrad. Van 1947 tot 1968 verzorgde hij elke zondagmiddag gratis voorstellingen in het Tropenmuseum te Amsterdam, een instituut dat hij tot op heden in collectief geheugen verbindt aan de Indische dans. In 1948 trad hij met een eigen damesgroep op in Parijs.

In 1951 nam Indra het Indonesische staatsburgerschap aan, omdat hij het als ambassadeur van de Indonesische dans logisch achtte de Indonesische nationaliteit te dragen; in 1958 nam hij de Nederlandse nationaliteit weer terug. Hij creëerde choreografieën voor de Nederlandse Opera (Les pêcheurs de perles, Turandot) en voor Het Nationale Ballet (Krishna en Radha). Van 1959 tot 1961 had hij de zakelijke leiding over het Nederlands Ballet, een functie die hij neerlegde door spanningen met choreografe Sonia Gaskell.

Onderricht, Indië-band en nalatenschap

In 1962 maakte Indra een studiereis van zes weken naar India en werd boeddhist. Hij doceerde aan de Nel Roos Balletacademie, het Brabants Conservatorium en de Scapino Dansakademie. Hij beoefende daarnaast yoga, koos al in 1930 voor de Indonesische onafhankelijkheid, en bezat een woning in El Atabal, een nederzetting voor Indische Nederlanders bij Málaga. In 1972 werd hij koninklijk onderscheiden.3

Indra Kamadjojo overleed op 7 september 1992 te Amsterdam. Zijn leven en werk zijn uitgebreid gedocumenteerd in de biografie Indra: een wajangleven door Lizzy van Leeuwen (Atlas Contact, 2020), een onmisbare bron voor verder genealogisch en cultuurhistorisch onderzoek. Beeld- en geluidsmateriaal van zijn voorstellingen wordt bewaard bij Beeld & Geluid en in het archief van het Tropenmuseum.