Indo-Europese jeugd op Java

Jan Leonard Broekveldt werd op 4 oktober 1906 geboren te Banyumas op Midden-Java. Zijn vader Frederik Broekveldt was een hooggeplaatste koloniale bestuursambtenaar, die later opklom tot directeur Binnenlands Bestuur; zijn moeder Mien Zeydel was Indo-Europees en stamde uit een voorname Javaanse regentenfamilie. Zijn vader bezat naast zijn ambtelijke functie een diepe interesse in de Javaanse oudheidkunde, die hij aan zijn zoon overdroeg. Tussen zijn vierde en dertiende jaar was Java zijn wereld; wanneer zijn ouders op reis waren logeerde Leetje, zoals hij thuis werd genoemd, in het huishouden van de regent, waar ook de regentenkinderen Javaanse danslessen kregen. In deze formatieve jaren legde hij de receptieve basis voor wat later zijn artistieke leven zou zijn: wajang, hindoeïstische verhalen, gamelan, godenmythen.1,2

De druk van zijn vaders functie werd op den duur ondraaglijk en in 1920 verhuisde het gezin Broekveldt naar Nederland, waar het zich te Den Haag vestigde. Leetje was toen dertien jaar oud. De Indische jeugd zou voor hem altijd het emotionele en spirituele referentiepunt blijven; in zijn latere leven zou hij geregeld zeggen dat ‘Java aan hem trok’.3

Studie, dansopleiding en huwelijk

Na het voortgezet onderwijs schreef Broekveldt zich in voor de studie economie aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam. In 1929 trad hij als klerk in dienst bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij in de hoop op uitzending naar Indië — een uitzending die echter uitbleef. In 1930 stapte hij over naar Indisch recht aan de Universiteit Leiden, met dezelfde bedoeling. De koers veranderde echter onder invloed van de Russische danser Igor Schwezoff, die les gaf op de dansschool van Darja Collin. Broekveldt brak zijn rechtenstudie af en koos voor een leven als professioneel danser. In 1933 ontmoette hij op deze school de danseres Tine Dekker; zij huwden in oktober 1935 en traden in de tweede helft van de jaren dertig op als variétépaar onder de naam ‘Jeantine et Leonard’.1,4

Toneeldebuut en de Javaanse leermeester Waloejo

In 1935 maakte Broekveldt zijn toneeldebuut. In het cabaret van Amsy Moïna viel hij in als Raden Pandji, omdat de oorspronkelijke Javaanse danser ziek was geworden. Voor deze rol leerde de Javaanse prins Raden Mas Waloejo hem drie klassieke Javaanse dansen, die hij gedurende zijn hele carrière in zijn repertoire zou houden. Het was Waloejo die later de naam Indra Kamadjojo zou voorstellen. Anders dan vaak wordt gedacht is Indra’s mentor-figuur niet Raden Mas Jodjana — de twee generaties verschillen acht jaar en hebben hun eigen wegen gevolgd — maar Waloejo geweest.1,4

In datzelfde jaar 1935 werkte Broekveldt mee aan het antifascistische toneelstuk De beul van Pär Lagerkvist, in regie van Albert van Dalsum. Na drie voorstellingen kon het stuk vanwege felle kritiek vanuit NSB-hoek en uit christelijke kringen alleen onder politiebegeleiding doorgaan. Indra’s rol was klein, maar typerend voor zijn pragmatische, op zichtbaarheid gerichte loopbaan: een Indische Nederlander in een politiek geladen voorstelling op de Stadsschouwburg Amsterdam.5

Oorlogsjaren: pragmatisme en Brussel

De Tweede Wereldoorlog stelde Broekveldt voor de keuzes die hem zijn leven lang als ambivalent zouden achtervolgen. Hij vroeg een werkvergunning aan bij de Nederlandsche Kultuurkamer en bleef optreden. In De Haagsche Post publiceerde hij een artikelenreeks Herinneringen van een Danser, die deel uitmaakte van een Duitse propagandacampagne ter verheerlijking van het dansvak; toen hem duidelijk werd dat de Indische danskunst daarin niet werd ge-eerbiedigd, trok hij zich terug. De motieven zijn door Lizzy van Leeuwen in haar biografie als ‘deels politiek en deels pragmatisch’ beschreven; voor een Indo-Europese kunstenaar die wilde blijven werken waren weinig andere wegen open.1,4

In 1943 begonnen Indra en Tine een danstournee in België. Daar, in Brussel, vond de meest ingrijpende transformatie van zijn leven plaats. Toen hij tijdens een variétévoorstelling met zijn ‘Oosterse’ dans werd uitgelachen door een publiek dat voor amusement was gekomen, ontstond een klein oproer; de in het theater aanwezige Brusselse cultuurminnaars schaamden zich, in de veronderstelling dat de tengere danser een authentieke Balinees was. Zij nodigden hem in hun salons en stelden hem voor aan een vooraanstaande, progressieve hoogleraar in de antropologie. Deze suggereerde Indra om zijn dans tot een hoogstaand ‘etnologisch’ gebeuren om te vormen, met inhoudelijke toelichting en gamelanbegeleiding van een grammofoonplaat. Vanaf dat moment was ‘Indra’ niet meer alleen een toneelnaam maar zijn dagelijkse identiteit.5,6

Halverwege 1944 keerde het echtpaar terug naar Amsterdam. Op 4 juli 1944 werd hun zoon Peter geboren, op dezelfde dag waarop Indra zijn eerste solo-optreden onder de naam Indra Kamadjojo gaf in de uitverkochte Kleine Zaal van het Concertgebouw. De recensies waren zonder uitzondering positief. Hij bleef tot de hongerwinter optreden in verschillende Nederlandse steden.1

Internationale loopbaan na de bevrijding

Na de bevrijding trad Indra in juli 1945 voor het eerst weer op in het Koloniaal Instituut. Hij koos politiek positie voor de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, een keuze die volgens hemzelf al in 1930 was gerijpt en die hij na de oorlog kracht bijzette door zijn dans als culturele propaganda voor de jonge Republiek in te zetten. Hij verzocht en verkreeg in deze periode een Indonesisch paspoort. Op zijn tournees door Scandinavië, Oost-Europa en de Verenigde Staten plaatste hij de Javaanse hofdans als bewijs dat ‘Indonesiërs geen koelies zijn die alleen rijst kunnen verbouwen, maar culturele, ontwikkelde mensen’. Voor zijn vriendenkring van revolutionaire Javaanse studenten in Nederland, sympathisanten van de antikoloniale CPN-lijn, was hij een betrouwbare bondgenoot.4,6

Indra werd de eerste Nederlandse artiest die in de Verenigde Staten op televisie optrad. Hij maakte tournees in Denemarken, Noorwegen, Zweden, Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk, Tsjechoslowakije en Hongarije. Pas in 1951 werd het Indonesische staatsburgerschap formeel; in 1958 nam hij de Nederlandse nationaliteit weer terug. Indonesië zelf bezocht hij voor het eerst pas in 1975.1

Tropenmuseum 1947–1968 en de televisiejaren

Vanaf 1947 (volgens andere bronnen vanaf 1948) trad Indra ruim twintig jaar lang elke zondagmiddag gratis op in het Tropenmuseum te Amsterdam, in een vaste reeks Indische dansen en wajangvertellingen. Voor de generatie Indische Nederlanders die na 1949 was gerepatrieerd vormden deze zondagmiddagen een baken: een vertrouwde, hoogstaande Indische cultuurpresentatie midden in Amsterdam, op een moment waarop het verlies van Indië nog vers was. Lizzy van Leeuwen noemt deze decennialange voortzetting Indra’s ‘niet onderkende meesterwerk’: een homeopathische verlichting van het pijnlijke afscheid van Nederlandsch-Indië.4,6

Op 6 november 1951 maakte Indra zijn televisiedebuut bij de VARA in Oost en West, samen met Georgette Hagedoorn. Vanaf april 1957 verzorgde hij voor de NCRV de inmiddels legendarische kinderserie Kantjil het dwerghertje, met tekenaar Wim Burger (Oost-Indische inkt op penseel) en opnamen in Studio Irene te Bussum; vier-en-twintig afleveringen verschenen tot 2 juli 1958. Voor een hele Nederlandse generatie kinderen werd de tengere man in het Javaanse kostuum, met zijn sierlijke handbewegingen, het gezicht waarmee Indië-Indonesië werd verbonden. Daarop volgden Mowgli (1958/59), De Poolster (november 1961), Het verhaal van Boeddha en Het verhaal van Raden Pandji (september 1962), Torias de tovenaar (1972); en als acteur en adviseur de prestigieuze tv-serie De stille kracht (1974) naar Louis Couperus, waarin Indra de regent van Ngadjiwa speelde.7

Choreografie, dansonderwijs en India-reis 1962

In de jaren vijftig en zestig nam Indra een centrale plaats in de Nederlandse danscultuur in. Hij creëerde voor de Nederlandse Opera de choreografieën van Les pêcheurs de perles en Turandot, en voor Het Nationale Ballet het dansspel Krishna en Radha. Van 1959 tot 1961 had hij de zakelijke leiding over het Nederlands Ballet, een functie die hij neerlegde door spanningen met de dominante choreografe Sonia Gaskell. Hij doceerde aan de Nel Roos Balletacademie, het Brabants Conservatorium, de Scapino Dansakademie en het Koninklijk Conservatorium (vak dansgeschiedenis); werd in 1957 benoemd in de adviescommissie voor de toekenning van studiebeurzen, en in 1959 voorzitter van de eerste staatscommissie voor de examens danskunst, in welke functie hij het eerste staatsdiploma uitreikte.1,7

In 1962 maakte Indra een zes-weekse studiereis naar India. Hij bekeerde zich tot het boeddhisme. In september van datzelfde jaar bracht hij een bezoek aan Suriname en de Antillen. In 1972 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Hij bezat een tweede woning te El Atabal bij Málaga, een nederzetting voor Indische Nederlanders. Zijn loopbaan beëindigde hij in 1983.1

Plaats binnen de Indo-Europese cultuurgeschiedenis

Indra Kamadjojo overleed op 7 september 1992 in het Prinsengrachtziekenhuis te Amsterdam, op vijfentachtigjarige leeftijd. Na zijn dood verdween hij snel uit de Nederlandse cultuurgeschiedenis: zijn naam ontbreekt in vrijwel elk standaardwerk over Nederlandse theater- en dansgeschiedenis, ondanks zijn meer dan vijftig jaar omspannende carrière in het culturele hart van de twintigste eeuw. Pas met Lizzy van Leeuwens biografie Indra: een wajangleven (Atlas Contact, 2020, vierhonderdzestien bladzijden) werd zijn levenswerk uitvoerig gedocumenteerd. Voor de Indo-Europese gemeenschap is hij de personificatie van de Indische dans in Nederland, en de generatie die hem als kind zag voor zijn Kantjil-vertellingen of als volwassene in zijn Tropenmuseum-zondagmiddagen draagt zijn beeld nog steeds mee. Voor de Indonesische cultuurgeschiedenis is hij één van de eerste podiumkunstenaars die de Javaanse hofdans als zelfstandige podiumkunst voor een internationaal publiek presenteerde.4,8