Haagse jeugd en autodidact

Paulus Adrianus Daum werd op 3 augustus 1850 in een Haagse volkswijk geboren als zoon van een ongehuwde moeder; zijn vader is onbekend. In zijn jeugd genoot hij weinig formeel onderwijs en hij werkte zijn kennis door zelfstudie bij elkaar. Op zijn negentiende huwde hij op 2 februari 1870 te ’s-Gravenhage Hendrika Theresia Klazina Vink. Tussen 1871 en 1876 was hij ambtenaar bij de spoorwegen te Utrecht; in deze jaren ontstonden zijn eerste novellen, die hij later zelf afdeed als ‘prulwerk’. Daarna keerde hij terug naar Den Haag, waar hij journalist werd bij Het Vaderland.1,2

Naar Indië: De Locomotief en Het Indisch Vaderland

In 1879 vertrok Daum, 28 jaar oud, met zijn gezin naar Nederlandsch-Indië, waar hij in dienst trad van De Locomotief te Semarang, in zijn tijd het belangrijkste liberale dagblad in de archipel. Zijn kritische houding leidde tot een conflict; in 1883 werd hij hoofdredacteur en eigenaar van het concurrerende dagblad Het Indisch Vaderland, eveneens te Semarang. Hier publiceerde hij voor het eerst onder het pseudoniem Maurits drie feuilletonromans.1,3

In 1885 kostte een felle redactionele aanval op het koloniale gezag hem zijn krant: Het Indisch Vaderland kreeg een verschijningsverbod en Daum verloor zijn baan. In 1887 werd hij in vervolg op deze affaire alsnog veroordeeld tot een maand gevangenisstraf, die hij in Batavia uitzat zonder zijn redactionele werkzaamheden op te schorten.1

Bataviaasch Nieuwsblad: een krant voor Indo-Europa

Twee maanden na het verbod in Semarang, op 1 december 1885, richtte Daum samen met D.A. Hooyer (directeur van uitgeverij G. Kolff & Co.) te Batavia een nieuw dagblad op: het Bataviaasch Nieuwsblad. De krant onderscheidde zich op meerdere fronten van haar concurrenten: zij verscheen in een kleiner formaat (26 × 40 cm) waardoor de abonnementsprijs op de helft van het gebruikelijke uitkwam, en richtte zich daarmee uitdrukkelijk op de minder vermogende Nederlandstalige lezer in Indië, in het bijzonder de Indo-Europese gemeenschap. Binnen een halfjaar evenaarde het abonnementenaantal dat van de gevestigde bladen.3

Daum gebruikte de krant niet alleen als nieuwskanaal maar ook als publicatieplatform voor zijn romans, die wekelijks als feuilleton verschenen. Onder zijn redactionele leiding werd het Bataviaasch Nieuwsblad bekend om een kritische houding tegenover het koloniale gezag en groeide uit tot spreekbuis van de Indo-Europese gemeenschap. Latere medewerkers en hoofdredacteuren van het blad zouden onder anderen Karel Zaalberg (de oprichter van het Indo Europeesch Verbond), E. du Perron, Ernest Douwes Dekker, Tjalie Robinson en de kunstredacteur Victor Ido (1869–1948) zijn. Het blad verscheen, met onderbrekingen, tot 1957.3

Romanschrijver onder pseudoniem Maurits

Tussen 1884 en 1898 verschenen onder Daums pseudoniem Maurits eerst als feuilleton en daarna in boekvorm circa tien romans. Het debuut Uit de suiker in de tabak wordt beschouwd als de eerste naturalistische roman in de Nederlandse letterkunde. Daum methodiseerde de Zola-school in een Indische setting en schreef met realistische, vaak ontnuchterende observatie over de Europese koloniale samenleving die hij van binnenuit kende. Tot zijn voornaamste werken behoren Hoe hij Raad van Indië werd (1888), Goena-goena (1889), Aboe Bakar (1894), ‘Ups’ en ‘Downs’ in het Indische leven (1893), Nummer Elf, en de viertalige cyclus In en uit ’s lands dienst, bestaande uit De Van der Linden’s c.s., L. van Velton-van der Linden, H. van Brakel, Ing. B.O.W. en Indische menschen in Holland. Daarnaast verscheen in 1890 zijn politieke brochure Waarom de Minister Keuchenius viel. Een stem uit Indië, een overdruk uit het Bataviaasch Nieuwsblad voor lezers in Nederland.4,5

Een terugkerend thema in Daums oeuvre is de wereld van Indische ondernemers, theeplanters, suikerfabrikanten en bestuursambtenaren in hun vaak labiele financiële en morele balans tussen Europese normen en koloniale praktijk. Het concubinaat met Indische vrouwen, de eenzaamheid van de buitenpost-controleur, de raciale verhoudingen tussen totoks, Indo-Europeanen en inheemse bevolking: Daum behandelde dit alles zonder moralisering en met een oog voor sociologisch detail dat in de Nederlandse literatuur van zijn tijd zeldzaam was. De personages in zijn romans zijn vaak nauw geijkt op herkenbare historische personen en milieus, hetgeen voor het BWNI zijn werk niet alleen tot literatuur maar ook tot bron maakt.1

Ziekte, repatriëring en overlijden

In 1898 verslechterde Daums gezondheid in snel tempo. Bij hem werd een leverziekte vastgesteld, in combinatie met malaria die hij in Indië had opgelopen. Hij scheepte in voor een repatriëring naar Nederland in de hoop op herstel. Bij aankomst werd hij opgenomen in de Geneeskundige Badinrichting Bethesda te Laag-Soeren in de provincie Gelderland, een herstellingsoord op de zuidelijke Veluwezoom. Op 14 september 1898 overleed hij daar aan de gevolgen van malaria, achtenveertig jaar oud. Hij werd begraven op de Oude Algemene Begraafplaats te Dieren; zijn graf wordt heden onderhouden door de Stichting Altvoorde te ’s-Gravenhage.2,6

Plaats in de Indische literatuur

Voor de literaire geschiedenis van Nederlandsch-Indië geldt Daum als een centrale schakelfiguur tussen Multatuli’s aanklacht Max Havelaar (1860) en de latere generatie van Couperus, Alberts, Walraven en Du Perron. Tijdens zijn leven werd hij door tijdgenoten vooral gewaardeerd als kranten-uitgever; zijn literaire betekenis werd pas postuum, in de loop van de twintigste eeuw, ten volle erkend, mede door de heruitgaven in de Salamander- en Privé-domein-reeks en uiteindelijk door Gerard Termorshuizens standaardbiografie P.A. Daum, journalist en romancier van tempo doeloe (Amsterdam 1988). De volledige werken zijn digitaal raadpleegbaar via DBNL.1,7