Groninger jeugd en vertrek naar Sumatra

Willem Simon Brand Klooster werd op 6 september 1905 geboren te Groningen. Na enige jaren als journalist in Nederland vertrok hij in 1927 naar Nederlands-Indië, waar hij zich vestigde te Medan op Sumatra’s Oostkust. Daar werkte hij voor de Deli Courant en groeide uit tot hoofdredacteur van een van de toonaangevende Nederlandstalige dagbladen in de buitengewesten. Onder zijn redactie volgde de krant nauwgezet het sociaal-economische leven van de Deli-tabakscultuur en de bredere Indische gemeenschap op Sumatra.1

Internering in Japanse kampen

Bij de Japanse inval in maart 1942 werd Brandt — samen met de Europese mannen van Medan en omstreken — geïnterneerd in een reeks Jappenkampen. Hij overleefde de internering, een ervaring die het centrale onderwerp werd van zijn naoorlogse poëzie. Bundels als Tropen (1947), De Gele Zon en Onder de zwartzonnige hemel verbeeldden in compacte, vaak ritmisch strakke verzen de gemoedstoestand van de overlevenden, het gemis van het verloren Indië, en de moeilijkheid om in Nederland aan een nieuw bestaan te beginnen.2

Naoorlogse schrijverschap

Na de bevrijding en repatriëring vestigde Brandt zich in ‘s-Gravenhage. Hij combineerde zijn journalistiek werk — onder meer voor Het Vaderland en de Indische pers in ballingschap — met een gestaag groeiend literair oeuvre. Naast poëzie publiceerde hij romans waarin het Sumatra-leven van voor 1942 een nostalgische en tegelijk kritische rol kreeg, en hij vertaalde Maleise en Indonesische pantoens en sjairs in toegankelijk Nederlands. Zijn werk verscheen bij De Bezige Bij, Querido en in de jaren zeventig in heruitgaven van uitgeverij Tong Tong, dat in de Indische gemeenschap een belangrijke functie vervulde.

Brandt overleed op 29 april 1981 te ‘s-Gravenhage. Zijn werk wordt sindsdien gerekend tot de centrale stem van wat literatuur-historisch de Indische diaspora-poëzie wordt genoemd, in één adem genoemd met dichters als Bert Voeten, Hans Warren en Tjalie Robinson. Voor het BWNI is hij van bijzonder belang omdat zijn werk de Indo-Europese kampervaringen en het na-Indische bestaan in Nederland in een literair toegankelijke vorm heeft vastgelegd, een primaire bron voor onderzoek naar de identiteitsvorming van de Indische gemeenschap na 1950.