Afkomst en jeugd

Johan Hendrik Peter werd op 22 februari 1895 geboren te Soerabaja, als oudste zoon van Adolf Louis Peter en Anna Maria Boers. Zijn vader was een Indisch ondernemer van de tweede generatie: houtcontractant te Batavia, directeur van de Mijn- en Landbouw Maatschappij Batavia-Borneo en enig directeur van de te Arnhem gevestigde Handel-, Mijn- en Bosch Exploitatie Mij. Tjermai. Via zijn grootmoeder Fanny Marchal, dochter van de Brit Francis Ord Marshall (1810–1870) en diens Chinese concubine Teh Ing Nio, stond hij in vierde generatie in de Indische lijn. Hij bezocht het gymnasium Willem III te Batavia, waar hij in mei 1913 eindexamen deed, en studeerde vervolgens in Nederland rechten: na zijn staatsexamen te Utrecht (1915) en het kandidaats- en doctoraal examen te Leiden (1916 en 1918) legde hij in januari 1920 het examen voor de Indische Rechterlijke Dienst af.

Landraad en landgerecht (1920–1938)

Op 16 februari 1920 werd hij ter beschikking gesteld van de gouverneur-generaal om te worden geplaatst in rechterlijke betrekkingen. Na een korte aanloop als griffieambtenaar bij het Hooggerechtshof werd zijn carrière getekend door een reeks standplaatsen bij de landraden — de inheemse rechtbanken waar Nederlandse rechters als voorzitter fungeerden: achtereenvolgens Bantam (1921–1922), Magelang (1922), Kendal (1923–1925), Indramajoe (1925–1930), Salatiga en Poerwodadi (1930–1932) en Soerakarta (1932–1934). Na een jaar Europees verlof keerde hij in 1935 terug op Java; hij vervulde korte tijd werkzaamheden bij het Departement van Justitie te Batavia en werd vervolgens voorzitter van de landraad te Buitenzorg. In de zomer van 1938 werd hij tijdelijk en op 27 oktober 1938 definitief benoemd tot lid van de Raad van Justitie te Batavia — de Europese rechtbank van eerste aanleg voor zwaardere zaken.

Hoog Militair Gerechtshof en temporaire krijgsraad

Op 8 juli 1939 werd hij benoemd tot lid van het Hoog Militair Gerechtshof van Nederlandsch-Indië, een functie die hij tot aan de Japanse bezetting vervulde. Na de bevrijding trad hij op 1 juli 1946 aan als president tevens lid van de temporaire krijgsraad te Batavia. De temporaire krijgsraden waren in de naoorlogse jaren belast met de berechting van strafbare feiten begaan tijdens de Japanse bezetting en in de eerste jaren van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, en vervulden daarmee een voor de naoorlogse rechtsorde cruciale rol. Op 4 september 1948 werd hij benoemd tot lid van het Hooggerechtshof van Nederlandsch-Indië — de hoogste rechtsprekende instantie van de kolonie. Bij Koninklijk Besluit van 23 augustus 1948 werd hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Soevereiniteitsoverdracht en laatste jaren

Na de soevereiniteitsoverdracht van 27 december 1949 bleef hij werkzaam in Indonesië. Op 30 mei 1951 arriveerde hij per K.L.M.-vliegtuig op het vliegveld Kamajoran (Djakarta). In de jaren 1952–1953 was hij vicevoorzitter van de Nederlandse garantiewetcommissie in Indonesië, een gemengde commissie ingesteld ter uitvoering van de bij de soevereiniteitsoverdracht overeengekomen Garantiewet voor het overblijvende Nederlandse overheidspersoneel. Op 5 juli 1953 keerde hij met het m.s. Mataram definitief terug naar Nederland. Hij vestigde zich in ’s-Gravenhage, waar hij op 18 maart 1984 op 89-jarige leeftijd overleed. Zijn echtgenote Emmy Jeanine Kessler overleefde hem tien jaar.