Afkomst: de Afrikaanse militaire component

Johannes Josephus Enkoroma Coffie werd geboren in Tebing Tinggi, gelegen in de residentie Palembang op Sumatra. De geboortedatum is in de bronnen niet eenduidig: opgegeven werden respectievelijk 17 augustus, 1 oktober en 27 oktober 1858, een discrepantie die bij buitenechtelijke kinderen in Nederlandsch-Indië geen uitzondering was. Zijn vader was Enkoroma Coffie, een Afrikaans K.N.I.L.-militair, en zijn moeder de inlandse vrouw Oerip. De Afrikaanse K.N.I.L.-militairen, ook wel aangeduid als Belanda Hitam (‘Zwarte Nederlanders’), waren soldaten afkomstig van de Goudkust (het huidige Ghana) die in de negentiende eeuw door de Nederlandse autoriteiten werden geworven voor dienst in Nederlandsch-Indië. De naam Enkoroma Coffie verwijst naar het Akan-taalgebied: Enkoroma is een familienaam, terwijl Coffie een vernederlandste vorm is van Kofi, een dag-naam in de Akan-cultuur voor een kind geboren op vrijdag.

Via zijn huwelijk in 1884 met Maria Louisa Abrahams werd Johannes Josephus Enkoroma Coffie verbonden met een tweede Afrikaanse militaire lijn. Maria Louisa was de dochter van Maria Wilhelmina Osankje, die op haar beurt een erkende dochter was van de Afrikaanse fuselier [Jacob] Osankje, geboren in ‘Marraboe’ in Afrika omstreeks 1818 en als soldaat in dienst gekomen bij het Oost-Indisch Leger in 1838. Osankje diende bij verschillende bataljons infanterie, nam deel aan de krijgsverrichtingen in het Palembangse (1858–1859) en ontving daarvoor de Bronzen Medaille voor Moed en Trouw. Het huwelijk van Johannes Josephus en Maria Louisa verbond aldus twee families die beide hun oorsprong hadden in de Afrikaanse militaire aanwezigheid in Nederlandsch-Indië.

Loopbaan als gouvernementsklerk en griffiemedewerker

Ten tijde van zijn huwelijk op 9 februari 1884 te Batavia was Johannes Josephus werkzaam als burgerlijk schrijver 3e klasse. Zijn loopbaan als gouvernementsklerk voerde hem door meerdere gewesten van Nederlandsch-Indië. Tot 1888 was hij verbonden als klerk aan het assistent-residentiekantoor te Riouw, waarna hij werd aangesteld als deurwaarder bij de landraad te Tandjong Pinang op het eiland Bintan. In 1890 werd hij eervol van die functie ontheven en opnieuw geplaatst als klerk op het residentiekantoor te Riouw. Zijn gezin groeide intussen gestaag: de eerste drie kinderen werden geboren in Batavia en Tandjong Boeton, geboorteplaatsen die zijn verplaatsingen langs de bestuursposten weerspiegelen.

Omstreeks 1898 vinden we hem als klerk op 100 gulden per maand bij het gewestelijk bestuur te Serdang op de Oostkust van Sumatra. In 1899 ontving hij eervol ontslag als substituut-griffier bij de landraad te Medan. In 1906 volgde zijn definitieve ontslag als eerste klerk ter griffie van de landraden te Medan en Bindjei, eveneens eervol en wegens volbrachte diensttijd. De landraden waren de rechtbanken voor de inheemse bevolking en de Indo-Europeanen die niet onder de Europese rechtsmacht vielen; werk als griffiemedewerker vergde administratieve nauwkeurigheid en kennis van procesrecht. Na zijn ontslag woonde Enkoroma Coffie eerst als gepensioneerd eerste klerk in Medan (1906–1910) en daarna in Tebing Tinggi (Deli), waar hij tevens optrad als agent van de weeskamer, een functie die hij van 1910 tot minstens 1932 vervulde.

Gezin, nakomelingen en Tweede Wereldoorlog

Uit het huwelijk met Maria Louisa Abrahams werden elf kinderen geboren, van wie de meesten hun leven verbonden met Sumatra, in het bijzonder de Oostkust. De oudste zoon Joachim Amasus Lucius trad in dienst bij de Deli Spoorweg Maatschappij en emigreerde later naar Nederland, waar hij overleed te ’s-Gravenhage in 1964. Alardus Josephus werkte eveneens bij de Deli Spoorweg Maatschappij en stierf in Medan in 1952. De jongste dochter Adee Henriette trouwde in 1921 te Penang met de Nederlandse militair Pieter Jacobus Kroese en overleed in 1978 in Diepenveen. De tweede jongste zoon Ferdinand Batakus Amadeus, belastingambtenaar en commies te Medan, keerde na de onafhankelijkheid naar Nederland terug en overleed in ’s-Gravenhage in 1990.

De Tweede Wereldoorlog eiste een zwaar tol van de familie. René Benjamin Enkoroma Coffie (kind 7) werd gemobiliseerd als soldaat 2e klasse K.N.I.L. en na de capitulatie krijgsgevangen gemaakt. Hij overleed op 15 augustus 1944 in het Thaise Pratchapkirikan en rust begraven op het Kanchanaburi War Cemetery. Erik Joseph Enkoroma Coffie (kind 4), kantoorhoofd bij het gewestelijk bestuur te Kota Radja in Atjeh, overleed op 20 februari 1945 in de Soekamiskingevangenis te Bandoeng — evenals zijn zwager Johan Theodor Moritz Nagel, die enkele maanden eerder in dezelfde gevangenis stierf. Johan Frederik Enkoroma Coffie (kind 6) overleefde de oorlog en bleef tot ver na de onafhankelijkheid in Indonesië: hij werd in juni 1971 nog aldaar aangetroffen. Johannes Josephus sr. overleed op 1 augustus 1942, enkele maanden na het begin van de Japanse bezetting; zijn vrouw Maria Louisa Abrahams was hem een jaar eerder, op 10 juli 1941, voorgegaan in de dood.