Afkomst: de Afrikaanse soldatencomponent in Indië

Jacobus Osangkje werd omstreeks 1851 geboren te Meester Cornelis (bij Batavia) als zoon van Jacob Osangkje en de Javaanse vrouw Djara. Zijn vader, Jacob Osangkje, was afkomstig uit de regio Marraboe in Afrika en had van 1838 tot 1859 gediend als fuselier bij het Oost-Indisch Leger. Na zijn diensttijd bleef hij in Indië en overleed hij op 11 november 1870 te Semarang. De aanwezigheid van Afrikaanse militairen in het Oost-Indische Leger — veelal geworven via tussenhandelaren langs de westkust van Afrika — was een opmerkelijk maar weinig beschreven aspect van de koloniale militaire geschiedenis. Via zijn vader behoorde Jacobus tot de tweede generatie van deze Afrikaans-Indische gemeenschap.

Militaire loopbaan en de Atjeh-oorlog

Jacobus Osangkje trad in dienst bij de geneeskundige hospitaaldienst van het K.N.I.L. als ziekenoppasser, een functie die hij van 1881 tot 1897 uitoefende. Hij nam actief deel aan de militaire campagnes in Atjeh: eerst van 1874 tot 1879 en opnieuw van 1890 tot 1891. De Atjeh-oorlog, die in 1873 begon en decennialang voortduurde, was de bloedigste en langdurigste militaire onderneming in de Nederlandse koloniale geschiedenis. Zijn deelname aan de strijd werd erkend met de Atjeh-Medaille 1873–1874 en het Ereteken voor belangrijke krijgsbedrijven Atjeh 1873–1876. Voor zijn langdurige en trouwe dienst ontving hij tevens de Bronzen en de Zilveren Medaille, de laatste voor 24 jaar trouwe dienst.

Overlijden

Jacobus Osangkje overleed omstreeks augustus 1907 te Bandoeng. Hij liet twee zonen na: Alexander, geboren op 7 september 1900 te Poerworedjo en in 1926 te Soerakarta gestorven, en Louis, die jong overleed in 1905. Via de dochter van zijn vader, Maria Wilhelmina Osangkje, waren de families Osangkje en Enkoroma Coffie familiair verbonden.