Afkomst: Belanda Hitam in Indië

Jacobus Osangkje werd omstreeks 1851 geboren te Meester Cornelis (bij Batavia) als zoon van Jacob Osankje en de Javaanse vrouw Djara. Zijn vader was afkomstig uit de regio Marraboe in Afrika. Op 22 februari 1838 werd Jacob ‘vrijwillig’ geëngageerd als soldaat voor onbepaalde tijd bij het leger in Oost-Indië, met 20 gulden handgeld. Op diezelfde dag kocht hij zich vrij middels een akte van manumissie, gepasseerd te Elmina, tegen betaling van 96,50 gulden — een bedrag dat hij ontving als voorschot op zijn gage. Op 20 januari 1839 scheepte hij in te St. George d’Elmina aan boord van het schip “Princes Marianne” (kapitein J.R. Schilt), gedebarkeerd te Batavia 18 april 1839, geplaatst bij het 1e bataljon infanterie. Hij bleef in dienst tot 1859 en onderscheidde zich bij de krijgsverrichtingen in het Palembangse in 1858 en 1859, waarvoor hij de Bronzen Medaille voor Moed en Trouw ontving (K.B. 13-04-1860, nr. 79). Na zijn diensttijd bleef hij in Indië en overleed hij op 11 november 1870 te Semarang. Via zijn vader behoorde Jacobus tot de tweede generatie van de zogeheten Belanda Hitam (“zwarte Hollanders”) in Nederlandsch-Indië: de gemeenschap van West-Afrikaanse KNIL-soldaten en hun nakomelingen die vanaf de jaren 1830 vanuit Fort Elmina aan de Goudkust door Nederland voor het koloniale leger waren geworven. De eerste generatie was in grote meerderheid afkomstig uit de regio’s rond Elmina in het huidige Ghana; hun zonen en kleinzonen groeiden op als Indische Nederlanders, tussen de kaserne en de kampong.

Militaire loopbaan: van infanterie tot hospitaaldienst (1868–1897)

Jacobus Osangkje trad op 3 maart 1868 vrijwillig in dienst bij het Oost-Indisch Leger, geplaatst bij het 8e bataljon infanterie te Batavia met 60 gulden handgeld. In de volgende jaren werd hij meerdere malen overgeplaatst: naar het 4e bataljon infanterie (september 1870) en het 1e bataljon infanterie (februari 1874). Op 3 maart 1874 engageerde hij zich voor een tweede termijn van zes jaar met 120 gulden premie. Tijdens deze periode nam hij deel aan de Atjeh-oorlog, de langdurige en bloedige militaire onderneming die in 1873 was begonnen. Hij diende in de krijgsverrichtingen van 1874 tot 1879, waarvoor hij de Atjeh-Medaille 1873–1874 en het Ereteken voor belangrijke krijgsbedrijven met de gesp Atjeh 1873–1876 en Ereteken voor belangrijke krijgsbedrijven met de gesp Atjeh 1873–1876 ontving. In 1880 volgde een derde engagementstermijn van zes jaar (120 gulden premie). Op 25 april 1881 ontving hij de Bronzen Medaille voor 12 jaar trouwe dienst. In augustus 1881 werd hij afgekeurd voor de dienst te velde en ingedeeld als ziekenoppasser bij de geneeskundige hospitaaldienst, een functie waarbij hij patiîten in de militaire hospitalen verzorgde. In de volgende vijftien jaar engageerde hij zich nog vijfmaal: in 1886 (twee jaar), 1888 (één jaar), 1889 (één jaar), 1890 (zes jaar) en 1896 (twee jaar). Tijdens het engagementstermijn van 1890–1896 nam hij opnieuw deel aan de Atjeh-campagne (1890–1891). Op 9 mei 1892 ontving hij de Zilveren Medaille voor 24 jaar trouwe dienst. Op 6 maart 1897 werd hij wegens ongeschiktheid voor alle militaire diensten gepensioneerd met 200 gulden per jaar; op 20 maart vertrok hij uit Kedong Kebo.

Nazaten: van weeshuis tot voetbalveld

Na zijn pensionering vestigde Jacobus Osangkje zich in de afdeling Bandoeng, waar hij omstreeks augustus 1907 overleed. Zijn oudste zoon Alexander werd geboren op 7 september 1900 te Poerworedjo en erkend te Bandoeng in 1903. Alexander werd op zeven-jarige leeftijd aangenomen bij het Korps Pupillen te Gombong (5 december 1907), en verbleef in het protestants weeshuis te Semarang en later in het rooms-katholieke gesticht van de Heilige Vincentius à Paulo te Buitenzorg. Op 18 januari 1917 engageerde hij zich vrijwillig bij het O.I.L. voor zes jaar met 450 gulden premie. Naast zijn militaire loopbaan was Alexander Osangkje een getalenteerd voetballer: hij speelde voor Go Ahead te Semarang en later voor Velocitas, samen met Ebien Pesa, eveneens een nakomeling van een Afrikaanse K.N.I.L.-soldaat — een levendig voorbeeld van hoe de Afrikaans-Indische gemeenschap ook buiten de kazernemuren haar eigen netwerken onderhield. Alexander overleed op 9 mei 1926 te Soerakarta, 25 jaar oud. Zijn jongere broer Louis, geboren 27 januari 1903, overleed al op 21 januari 1905 te Bandoeng.