Aristocratische jeugd te Yogyakarta

Raden Mas Soewardi Soerjaningrat werd op 2 mei 1889 te Yogyakarta geboren in het Kadipaten Pakualaman, een afhankelijk vorstendom dat in 1813 door de Britse luitenant-gouverneur Stamford Raffles was ingesteld als nevenhuis van het Sultanaat Yogyakarta. Zijn vader, KPA Soerjaningrat, was de oudste zoon van Paku Alam III en oorspronkelijk troonopvolger; door een oogziekte op zijn achtste raakte hij blind, waardoor zijn aanspraak op de troon verviel. Daarmee verloor ook Soewardi de directe vorstelijke verwachting, al bleef de familie tot de hoogste priyayi behoren.1 Zijn moeder was Raden Ayu Sandiah. Een oudere broer, Raden Mas Soerjopranoto (1871–1959), zou zich later als vakbondsleider, met de bijnaam Raja Mogok (‘stakingskoning’), eveneens een plaats in de Indonesische nationale geschiedenis verwerven.2

Door zijn priyayi-achtergrond had Soewardi toegang tot Europees onderwijs, een privilege dat aan vrijwel geen andere groep Javanen werd gegund. Hij doorliep de Europeesche Lagere School te Yogyakarta, ging vervolgens naar de kweekschool aldaar, en kreeg toen van dr. Wahidin Soedirohoesodo, een latere Boedi Oetomo-medeoprichter die de Pakualaman regelmatig bezocht, een beurs voor de STOVIA, de School tot Opleiding van Inlandsche Artsen te Batavia. Hij ronde die opleiding niet af; ziekte gedurende vier maanden leidde tot zittenblijven en het intrekken van de beurs. Na zijn vertrek van de STOVIA wendde hij zich volledig tot de journalistiek en het politieke schrijven.3

Boedi Oetomo, Insulinde en de Indische Partij

Vanaf de oprichting van Boedi Oetomo in 1908 was Soewardi actief in de propagandasectie van die organisatie en mede-organisator van haar eerste congres te Yogyakarta. Hij schreef voor uiteenlopende bladen, onder meer Sediotomo, Midden Java, De Expres, Oetoesan Hindia, Kaoem Moeda, Tjahaja Timoer en Poesara, met een scherpe, anti-koloniale stijl. Via Ernest François Eugene Douwes Dekker werd hij lid van Insulinde, een multi-etnische organisatie die zelfbestuur voor Nederlandsch-Indië nastreefde en sterk werd gedragen door Indo-Europese activisten. Toen Douwes Dekker eind 1912 de Indische Partij oprichtte als eerste politieke partij die expliciet streefde naar onafhankelijkheid van een als één natie opgevatte Indische samenleving, sloot Soewardi zich daarbij aan. Op 25 december 1912 werd de partij geconstitueerd. Het driemanschap (de zogeheten Tiga Serangkai) bestond uit Douwes Dekker, Tjipto Mangoenkoesoemo en Soewardi, een combinatie van een Indo-Europeaan, een Javaanse arts en een Javaanse aristocraat die in de gangbare politieke arithmetiek van het Gouvernement onmogelijk en daardoor des te bedreigender was. Het Gouvernement weigerde de partij rechtspersoonlijkheid en zij werd in 1913 ontbonden.4

‘Als ik eens Nederlander was’, juli 1913

In 1913 wilde het koloniaal bestuur de honderdste verjaardag van het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid in 1813 met openbare festiviteiten in Nederlandsch-Indië vieren, mede gefinancierd door verplichte bijdragen van bumiputera (de inheemse bevolking). Tjipto Mangoenkoesoemo en Soewardi stichtten daarop het Comité Boemipoetra, met Tjipto als voorzitter, Soewardi als secretaris, en Abdoel Moeis en Wignja Disastra in het bestuur. Soewardi schreef voor het Comité in juli 1913 het pamflet Als ik eens Nederlander was, met de Maleise vertaling Djika saja Nederlander was. De brochure werd gedrukt door de N.V. Eerste Bandoengsche Publicatie Maatschappij en als soerat ederan nr. 1 verspreid; de Nederlandstalige tekst verscheen op 13 juli 1913 in De Expres, het door Douwes Dekker geleide blad te Bandoeng.5

De toon was sarcastisch: door zich voor te doen als Nederlander, hekelde Soewardi de gedachte een vrijheidsherdenking te vieren in een land waarvan de eigen bevolking onvrij was, en bovendien op kosten van die bevolking. De reactie van het Gouvernement was bruusk. Op 20 juli werden de brochures in beslag genomen, op 29 juli werden Tjipto, Soewardi, Abdoel Moeis en Wignja gearresteerd. Op 27 augustus 1913 vonniste de regering verbanning naar respectievelijk Bangka, Banda Neira en Kupang. De drie hoofdpersonen verzochten zelf om verbanning naar Nederland in plaats; dat verzoek werd ingewilligd. Op 6 september vertrokken Tjipto en Soewardi naar Nederland, vergezeld door Soetartinah die in augustus met Soewardi het slapend huwelijk uit 1907 alsnog had laten consumeren; Douwes Dekker reisde apart en de groep ontmoette elkaar onderweg.6

Ballingschap in Nederland 1913–1919

De jaren in Nederland werden voor het echtpaar zwaar door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de daarmee gepaard gaande materiële schaarste. Soetartinah weigerde een aanbod van mr. Abendanon, de voormalige directeur van Onderwijs in Nederlandsch-Indië, om de financiële druk te verlichten, omdat zij niet onafhankelijk wilde zijn van een vertegenwoordiger van het bestuur dat haar man in ballingschap had gestuurd. Soewardi behaalde de Europeesche Akte, een onderwijsbevoegdheid voor het Europese lager onderwijs, en oefende zich in journalistiek. Samen richtten zij het Indonesisch Persbureau op, dat de Nederlandse kranten van berichtgeving over Indië voorzag en publicaties over Boedi Oetomo, Sarekat Islam en de Indische Partij verzorgde. In Nederland werd Soewardi tevens beïnvloed door de pedagogische opvattingen van Friedrich Fröbel en Maria Montessori, opvattingen waarmee hij later, vrij sceptisch, op afstand bleef. Tjipto kreeg in 1914 wegens chronisch astma toestemming naar Indië terug te keren; Soewardi en Soetartinah keerden op 5 september 1919 terug in Batavia.7

Oprichting Taman Siswa, 3 juli 1922

Na zijn terugkeer trad Soewardi aanvankelijk toe als docent aan de school van zijn broer Soerjopranoto te Yogyakarta. Op 3 juli 1922 stichtte hij daar het Nationaal Onderwijs Instituut Tamansiswa, een netwerk van scholen voor inheems onderwijs in de eigen taal en cultuur, dat zonder financiële steun van het koloniale Gouvernement zou opereren en uitsluitend uit donaties en schoolgeld werd onderhouden. Het curriculum verbond Javaans-Indonesische cultuurtraditie met moderne pedagogische principes; daaronder de overweging dat onderwijs niet enkel onderwijs (onderwijzen, kennis overdragen) maar ook opvoeding (opvoeden, karakter en wil vormen) moest zijn. In 1930 telde Tamansiswa veertig vestigingen, onder meer drie aan Sumatra’s Oostkust en vier in Zuid- en Oost-Borneo, met circa 5.140 leerlingen; tegen de Japanse bezetting van 1942 had de organisatie 199 vestigingen.8

In 1932 kwam de Wilde Scholen Ordonnantie tot stand, die particuliere scholen die geen subsidie ontvingen verplichtte een vergunning aan te vragen. Voor Tamansiswa, juist gestoeld op zelfstandigheid van het bestuur, was dit een existentiële bedreiging; Soewardi verzette zich met zoveel kracht in pers en bestuur dat de ordonnantie werd ingetrokken. In 1928, op zijn veertigste verjaardag berekend naar de Javaanse Tahun Caka, deed hij naar Javaans gebruik afstand van de oude naam en koos hij Ki Hadjar Dewantara, ‘de leraar als gezant der goden’, zonder de adellijke titulatuur Raden Mas. Soetartinah werd Nyi Hadjar Dewantara. De keuze had een persoonlijke en een politieke betekenis: zij was conform de Javaanse traditie een levensfase-omvorming, en zij distantieerde de hervormer in één gebaar van de stand waarin hij geboren was.9

Bezetting, onafhankelijkheid en ministerschap

Tijdens de Japanse bezetting (1942–1945) zat Ki Hadjar Dewantara in de leiding van de Pusat Tenaga Rakyat (Putera), samen met Soekarno, Hatta en K.H. Mas Mansur. Zijn relatie tot dit door de Japanse bezetter geïnstrumentaliseerde orgaan is onder Indonesische historici niet onomstreden geweest, maar de meeste auteurs lezen zijn deelname als poging het inheems onderwijs en de inheemse leiderschap te beschermen tegen volledige Japanse opslokking; in 1944 werden Tamansiswa Yogyakarta en zijn middelbare afdeling Taman Dewasa, met circa 3.000 leerlingen, alsnog door de Japanse autoriteiten ontbonden. Na de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945 werd hij in het Kabinet Presidentieel, het eerste kabinet onder Soekarno en Hatta, aangesteld als minister van Pendidikan, Pengajaran dan Kebudayaan, een ambt dat door de revolutionaire omstandigheden van korte duur was. Daarmee werd hij de eerste minister van Onderwijs van de Republiek Indonesië.10

Nalatenschap en plaats in de Indische geschiedenis

In 1957 verleende de Universitas Gadjah Mada hem een eredoctoraat, twee jaar voor zijn dood. Op 26 april 1959 overleed Ki Hadjar Dewantara te Yogyakarta op 69-jarige leeftijd; hij werd op 29 april begraven op de Tamansiswa-begraafplaats Taman Wijaya Brata. Op 28 november 1959 verklaarde president Soekarno hem bij Keputusan Presiden no. 305/1959 tot Pahlawan Nasional. Zijn geboortedag, 2 mei, werd Indonesische nationale onderwijsdag (Hari Pendidikan Nasional); zijn devies Ing ngarso sung tulodo, ing madyo mangun karso, tut wuri handayani, ‘voorgaan met het voorbeeld, in het midden de wil opwekken, vanachter aanmoedigen’, is tot vandaag het officieel motto van het Indonesische ministerie van Onderwijs.11

Voor de geschiedenis van Nederlandsch-Indië is Ki Hadjar Dewantara om twee redenen een sleutelfiguur. Allereerst was hij, met Tjipto en Douwes Dekker, een van de drie auteurs van de eerste politieke beweging die expliciet alle inwoners van Indië, inheems, Indo-Europees en Chinees, als één politieke gemeenschap probeerde te verstaan. De Indische Partij faalde organisatorisch, maar het driemanschap zelf is daarmee een van de zeldzame momenten waarop de Indo-Europese politieke verbeelding (Douwes Dekker) en de Javaans-aristocratische pedagogische verbeelding (Soewardi) feitelijk samenliepen. Ten tweede is Tamansiswa de eerste Indonesische onderwijsorganisatie die buiten het koloniale bestel een zelfstandig vormingsidee uitwerkte; de spanning tussen onderwijs en politieke vrijheid is sindsdien onderdeel van de Indonesische intellectuele cultuur, en is voor de geschiedschrijving van Nederlandsch-Indië de meest blijvende geest waarin het Comité Boemipoetra van 1913 voortleeft.12