Jeugd en vorming

Ernest Douwes Dekker werd op 8 oktober 1879 te Pasoeroean in Oost-Java geboren als derde
kind van Auguste Douwes Dekker, agent van de Nederlandsch-Indische Escomptobank, en de
Indo-Europese Louisa Margaretha Neumann. Tussen zijn broers en zusters circuleerde hij
onder de roepnaam Nes, later — in nationalistische en journalistieke kringen — als DD.
Zijn Indische afkomst via zijn moeder, en met name haar Duits-Javaanse herkomst uit het
geslacht Neumann – Sahia uit Pekalongan, werd voor zijn politieke ontwikkeling
belangrijker dan de literaire nalatenschap van zijn oudoom Multatuli. De familie verhuisde
meerdere malen: eerst Soerabaja, daarna Pasoeroean, later Meester Cornelis (Batavia) en
uiteindelijk Pegangsaan in Jakarta.

Na de lagere school in Pasoeroean volgde Douwes Dekker de HBS in Soerabaja en later het
elitaire Gymnasium Koning Willem III in Batavia, waar hij in 1897 zijn diploma behaalde.
Hij trad aan als opzichter op de koffieplantage Soember Doeren bij Malang, maar raakte
in conflict met de bedrijfsleiding door het opnemen voor de inheemse werknemers. Na een
overstap naar de suikerfabriek Padjarakan bij Kraksaän stelde hij malversaties bij
de waterverdeling tussen fabriek en rijstboeren aan de kaak, wat hem opnieuw zijn baan
kostte. Kort nadien stierf zijn moeder (juli 1899) en raakte de zakelijke positie van
zijn vader in verval.

Boerenoorlog, journalistiek en politieke vorming

In februari 1900 vertrok Douwes Dekker, samen met zijn broers Julius en Guido, naar
Zuid-Afrika om aan Boerse zijde deel te nemen aan de Tweede Boerenoorlog. Julius, de oudste
van de drie, diende met het Hollander Corps en was militair succesvoller dan Ernest; hij schreef
zelf over zijn ervaringen. Ernest werd in Engelse krijgsgevangenschap gevoerd en geïnterneerd
op Ceylon. Zijn brieven over deze ervaringen, gepubliceerd in Het Nieuws van den Dag en het
Bataviaasch Nieuwsblad, vormden het begin van zijn journalistieke carrière.
Teruggekeerd in 1903 werkte hij voor De Locomotief in Semarang, vanaf 1907 voor
het Bataviaasch Nieuwsblad, en vanaf 1912 als oprichter-hoofdredacteur van
De Expres.

Zijn ervaring van de koloniale klassen- en rassenhiërarchie — als Indo tussen
‘volbloed’ Nederlanders en inheemsen — werd de drijvende kracht achter zijn politieke
denken. Via contact met studenten van de School tot Opleiding van Indische Artsen (STOVIA)
te Batavia ontwikkelde hij een radicaal-antikoloniaal standpunt. Rond 1910 sloot hij zich
aan bij de Indische Bond en pleitte hij voor een brede Indische identiteit die
Indo-Europeanen, Chinezen en inheemse groepen samen omvatte.

Indische Partij en ballingschap

In september 1912 richtte Douwes Dekker, samen met de inheemse artsen Tjipto
Mangoenkoesoemo en Soewardi Soerjaningrat (later Ki Hadjar Dewantara), de Indische Partij
op, de eerste politieke partij in de kolonie die openlijk zelfbestuur bepleitte. In maart
1913 telde de partij zo’n zevenduizend leden, waarvan vijfenvijfhonderd Indo-Europeanen
en vijftienhonderd inheemsen. Het koloniale bestuur verbood de partij en verbande de drie
oprichters in september 1913 naar Nederland.

Tijdens zijn ballingschap bewoog Douwes Dekker zich in kringen van liberale Nederlanders
en Indische studenten. In deze periode werd vermoedelijk voor het eerst de term
‘Indonesië’ als politiek-organisatorisch begrip gebruikt, in de naam van de
Indonesische Bond van Studenten. Na terugkeer in de kolonie bleef Douwes Dekker actief,
onder meer met de oprichting van het Ksatrian Instituut in Bandoeng (1924), een school
met eigen curriculum gericht op Indische jongeren.

Jodensavanne en terugkeer

In 1941, na de Duitse inval in Nederland en het uitbreken van de oorlog in Azië,
werden Indo-Europeanen van Duitse afkomst door de Nederlandse autoriteiten als potentieel
gevaarlijk beschouwd. Douwes Dekker werd via Sumatra overgebracht naar Suriname en
geïnterneerd in het kamp Jodensavanne, een interneringskamp in het tropisch oerwoud
van Suriname voor vermeende NSB’ers en Duitsgezinden. Hij verbleef er vijf jaar onder
zware omstandigheden. Zijn echtgenote Johanna Mossel ging intussen een relatie aan met
Arthur Kolmus, zonder dat formeel scheiding was uitgesproken.

Na zijn vrijlating kwam Douwes Dekker in 1946 in Nederland aan, waar hij werd verzorgd
door de Indo-Europese verpleegster Nelly Alberta Kruymel (weduwe Geertzema). Met haar
keerde hij, onder pseudoniem om de Nederlandse inlichtingendienst te ontlopen, op
2 januari 1947 terug naar Indonesië. Na vaststelling dat Mossel hertrouwd was, trad hij
op islamitische wijze in het huwelijk met Kruymel. Op voorstel van Sukarno namen beiden
in februari 1947 nieuwe namen aan: hij werd Danoedirdja Setiabudi — ‘krachtige
substantie, trouwe geest’ — en zij Haroemi Wanasita.

Laatste jaren en nalatenschap

Na zijn terugkeer werd Setiabudi benoemd tot lid van de Komite Nasional Indonesia Pusat
(voorlopig parlement) en fungeerde hij korte tijd als minister zonder portefeuille in
het kabinet-Sjahrir III. In december 1948 werd hii, ondanks slechte gezondheid, door
Nederlandse troepen gearresteerd, maar spoedig vrijgelaten. Hij sleet zijn laatste jaren
in Bandoeng, aan de Lembangweg (thans Jalan Setiabudi), waar hij werkte aan zijn
autobiografie 70 Jaar Konsekwent (1950).

Op zijn zeventigste verjaardag, 8 oktober 1949, was hij aanwezig bij de formele
Nederlandse soevereiniteitsoverdracht aan de Republiek Indonesië. Hij overleed acht
maanden later, in de vroege ochtend van 28 augustus 1950, en werd begraven op de
Indonesische heldenbegraafplaats Cikutra te Bandoeng. Bij presidentieel decreet nr. 590
van 9 november 1961 werd hij door Sukarno posthuum uitgeroepen tot Pahlawan Nasional
(Nationale Held) van Indonesië.

Historische beoordeling

Douwes Dekker was in meerdere opzichten een tragische figuur. Als Indo-Europeaan vond hij
moeilijk aansluiting bij de Indonesische nationalisten, terwijl hij bij de eigen
Indo-Europese gemeenschap weinig instemming vond voor zijn radicale standpunten. Zijn
ideeën over een inclusief ‘Indisch vaderland’, waarin inheemsen, Indo-Europeanen en
Chinezen gezamenlijk zouden opgaan, werden door de latere Indonesische staat onder
Sukarno op een zijspoor gezet ten gunste van een op inheems-etnische grondslag gebouwde
natiestaat. Soekarno zelf beschouwde Setiabudi echter als zijn leraar, en zijn positie
in de ‘Drie Serangkai’ (met Tjipto Mangoenkoesoemo en Soewardi Soerjaningrat) blijft tot
op heden de erkenning van zijn historische rol. De biografie door Paul W. van der Veur,
The Lion and the Gadfly (KITLV, 2006), en die van Frans Glissenaar,
Het leven van E.F.E. Douwes Dekker (1999), vormen de standaardwerken over zijn
leven.