Afkomst en jeugd op Java

Louis Henri — Lou — de Roo werd op 6 oktober 1924 geboren te Wonosobo in de residentie Kedoe op Midden-Java, als oudste zoon van Cornelis Hendrik de Roo en Françoise Louise Dessauvagie. Het was een ondernemingsgezin van de tweede generatie: zijn vader was employé bij de suikeronderneming Wonosobo en zou later administrateur worden van achtereenvolgens de ondernemingen Wonosobo en Bantjar bij Poerbolingo (Banjoemas), en daarna eigenaar van de mineraalwater-, limonade- en stroopfabriek Madjoe te Djokjakarta. Via zijn moeder stamde hij in vijfde generatie af van de Brit Francis Ord Marshall en diens Chinese concubine Teh Ing Nio, het Indisch stamouderpaar te Semarang. Zijn middelbareschooltijd bracht hij door in Batavia, waar hij in 1941, aan de vooravond van de Japanse inval, zijn H.B.S.-A diploma behaalde.

Uitwijken naar de Verenigde Staten (november 1941)

Onmiddellijk na zijn eindexamen meldde hij zich aan bij de Koninklijke Marine in Nederlandsch-Indië. Toen de Japanse dreiging in het najaar van 1941 manifest werd, werd hij samen met andere Nederlandse militairen verscheept naar de Verenigde Staten voor vliegopleiding. In november 1941 vertrok hij met het m.s. Zaandam van Soerabaja naar San Francisco. Daarmee ontkwam hij nog juist op tijd aan de Japanse bezetting van Nederlandsch-Indië, die enkele maanden later een feit zou zijn. Zijn jongere broer Hans en zijn vader zouden de oorlogsjaren in Japanse krijgsgevangenschap en civiele internering doorbrengen; zijn broer Eduard zat met zijn moeder in een Japans burgerkamp.

Vliegopleiding en 320 (Dutch) Squadron RAF

In de Verenigde Staten volgde hij de opleiding tot piloot aan de Royal Netherlands Military Flying School te Jackson (Mississippi), de instelling die in samenwerking met de Amerikaanse strijdkrachten Nederlandse marinevliegers opleidde voor de oorlogstaak in Europa. Na voltooiing van zijn opleiding werd hij ingescheept naar Engeland aan boord van het Nederlandse patrouillevaartuig Hr.Ms. Van Kinsbergen. In Engeland trad hij aan bij het No. 320 (Dutch) Squadron Royal Air Force, het Nederlandse marinesquadron dat opereerde met North American B-25 Mitchell-bommenwerpers vanuit bases in Zuid-Engeland en later vanuit Melsbroek in België. Het squadron vloog bombardements- en aanvalsmissies boven bezet West-Europa, en speelde in september 1944 een rol bij de ondersteuning van de slag om Arnhem en later bij aanvallen op Duitse stellingen langs de Rijn.

Een opvallende omstandigheid is dat hij in hetzelfde squadron diende als een verre neef: Johan Willem (Pim) de Bruyn Kops (1922–2008) was via een andere lijn eveneens afstammeling van Francis Ord Marshall en had Engeland langs de zuidelijke ontsnappingsroute bereikt. De twee mannen deelden zo niet alleen hun Indische voorouder maar ook hun squadron, hun vliegtuigtype en hun inzet boven bezet Europa.

Demobilisatie en naoorlogs leven in Rotterdam

Na de Duitse capitulatie werd hij gerechtigd tot het dragen van het Demobilisatiespeldje van de Koninklijke Marine (verleend 6 juni 1946). Bijna een halve eeuw later, in 1994, werd hem door de Britse overheid de Frontline Britain Medal verleend, een onderscheiding voor militair personeel dat tijdens de oorlog in de frontlinies van Britse operaties diende. Na de demobilisatie vestigde hij zich in Rotterdam en trad in dienst bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK), de uitvoeringsorganisatie voor de werknemersverzekeringen. Hij volgde er diverse interne opleidingen en bouwde een administratieve loopbaan op tot aan zijn pensionering. Op 5 oktober 1949 huwde hij te Rotterdam Jacoba Petronella (Nel) Wessels. Hij overleed te Rotterdam op 2 maart 2007, op 82-jarige leeftijd.