English summary ▼
Mas Soetardjo Kartohadikoesoemo (Kunduran, Blora regency, Central Java, 22 October 1890 – Jakarta, 20 December 1976) was a Javanese colonial civil servant of priyayi descent and Indonesian nationalist politician. Chairman of the civil servants' association PPBB and member of the Volksraad (People's Council) from 1931 to 1942, he authored the Soetardjo Petition of July 1936 calling for a ten-year transition to Indonesian self-government within the Kingdom of the Netherlands. Adopted by the Volksraad but rejected by the Dutch government in 1938, the petition is regarded by historians as a turning point in late-colonial politics. He served as resident of Jakarta during the Japanese occupation and became the first governor of West Java in 1945.
Mas Soetardjo Kartohadikoesoemo

Genealogische gegevens
Opleiding aan de Opleidingsschool voor Inlandse Ambtenaren (OSVIA);
vanaf 1908 ambtelijke loopbaan bij het Inlandsch Bestuur op Java, achtereenvolgens als wedono en assistent-resident in de residenties Pekalongan, Madiun en Banjoemas;
voorgedragen voor het regentschap maar nooit geïnstalleerd door zijn Volksraad-stap;
mede-oprichter en voorzitter van de Perhimpoenan Pegawai Bestuur Boemipoetra (PPBB), de bond van inheemse bestuursambtenaren;
1919 publicatie van het pamflet Grieven van den Inlandschen Bestuursambtenaar;
vanaf 1931 lid van de Volksraad, het in 1918 ingestelde adviesorgaan waarvan sinds 1931 de helft van de leden Indonesisch was;
15 juli 1936 indiening van de Petitie-Soetardjo;
29 september 1936 aanname Volksraad met 26 tegen 20 stemmen;
oktober 1937 voorzitter Centraal Petitie-Comité;
16 november 1938 afwijzing bij Koninklijk Besluit door de regering-Colijn IV;
Volksraad-lid tot de Nederlandse capitulatie 1942;
tijdens de Japanse bezetting 1943 benoemd tot resident van Jakarta;
lid van de BPUPK (Onderzoekscommissie ter Voorbereiding van de Onafhankelijkheid);
militaire rang binnen de PETA (Pembela Tanah Air, Verdedigers van het Vaderland);
19 augustus 1945, twee dagen na de Indonesische Onafhankelijkheidsverklaring, benoemd tot eerste gouverneur van de provincie West-Java (Jawa Barat) van de Republik Indonesia, met zetel te Bandung;
gouverneur tot 14 januari 1946;
later lid van de Dewan Pertimbangan Agung (Hoge Adviesraad);
tot zijn overlijden te Jakarta in 1976 een geziene figuur binnen de oudere generatie Indonesische staatsmannen.
Priyayi-jeugd en bestuursambtelijke loopbaan
Mas Soetardjo Kartohadikoesoemo werd op 22 oktober 1890 geboren in het dorp Kunduran in het regentschap Blora, residentie Rembang op Midden-Java. Hij stamde uit een Javaans priyayi-milieu, de van oudsher in dienst van de Javaanse vorstendommen staande bestuurselite die in de loop van de negentiende eeuw door het Nederlandse koloniale gouvernement was ingelijfd als rangenstelsel binnen het Inlandsch Bestuur. Voor jongens van priyayi-afkomst was de Opleidingsschool voor Inlandse Ambtenaren (OSVIA) de gangbare studieroute naar een bestuurspositie binnen het gouvernement. Soetardjo doorliep deze opleiding en trad in 1908 in dienst van het Inlandsch Bestuur op Java; hij vervulde achtereenvolgens functies als wedono en assistent-resident in de residenties Pekalongan, Madiën en Banjoemas.1
In 1919 publiceerde Soetardjo het pamflet Grieven van den Inlandschen Bestuursambtenaar, een eerste publieke uiting van de frustratie over de structurele achterstelling van de inheemse bestuurders ten opzichte van hun Europese collega’s in salaris, rang en bevoegdheid. Hij was mede-oprichter en bleef voorzitter van de Perhimpoenan Pegawai Bestuur Boemipoetra (PPBB), de belangenvereniging van inheemse bestuursambtenaren. Volgens jurist en indoloog Nicolaas Gouka, die op de petitie-Soetardjo promoveerde, kwam Soetardjo’s nationalisme slechts geleidelijk op, vanuit zijn priyayi-positie en niet vanuit de revolutionaire kring. In zijn latere leven noemde Soetardjo zelf de onderdrukking van linkse leiders na de muiterij op De Zeven Provinciën in 1933 en de verzwakking van de vorstendommen Yogyakarta en Surakarta als de directe motieven voor zijn 1936-petitie.2
Volksraad 1931 en de petitie van 1936
In 1931 werd Soetardjo benoemd in de Volksraad, het in 1918 door gouverneur-generaal J.P. graaf van Limburg Stirum ingestelde adviesorgaan, waarin sinds 1931 de helft van de leden Indonesisch was. Hij vertegenwoordigde de inheemse bestuursambtenaren en sloot zich niet aan bij de Nationale Fractie van Mohamad Hoesni Thamrin, die de bredere nationalistische beweging vertegenwoordigde. Op 15 juli 1936 diende Soetardjo een initiatiefvoorstel in dat geschiedenis zou maken als de Petitie-Soetardjo. Het verzocht de Nederlandse regering en de Staten-Generaal om een rijksconferentie te beleggen waaraan Nederlandse en Indische vertegenwoordigers zouden deelnemen, en die binnen tien jaar geleidelijke hervormingen tot stand zou brengen om Nederlandsch-Indië een zelfstandige plaats binnen het Koninkrijk te geven, binnen de kaders van artikel 1 van de Grondwet.3,4
Op 29 september 1936 werd het voorstel door de Volksraad aangenomen met 26 stemmen vóór en 20 tegen, waarbij de uiterste termijn van tien jaar werd geschrapt. Achttien Aziatische leden, onder wie Thamrin, steunden de petitie; ook twee Europese partijen schaarden zich erachter, evenals het Indo Europeesch Verbond, dat een autonoom Indië via een Rijksraad met Nederland verbonden voorstond. De Indonesische pers reageerde overwegend positief, de Indië-Europese pers volledig negatief. Belangrijke nationalistische partijen, waaronder PSII, Parindra en in beperkte mate ook PNI, vonden de petitie een te slap aftreksel van het einddoel van volledige onafhankelijkheid; alleen de Gerindo-partij steunde haar, maar verbood haar leden deelname aan het door Soetardjo geleide Centrale Petitie-Comité (oktober 1937). Het comité organiseerde drukbezochte volksvergaderingen, maar slaagde slechts beperkt in het verzamelen van handtekeningen, deels uit angst van de bevolking om zich publiekelijk uit te spreken.4,5
Afwijzing 1938 en betekenis
De Nederlandse regering nam ruim twee jaar voor haar antwoord. De Raad van Indië adviseerde op 25 november 1937 negatief; gouverneur-generaal A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer ontving Soetardjo persoonlijk in een onderhoud waarin de petitionaris betoogde dat de autoriteiten met hem en andere gematigden nu nog van doen hadden, maar bij uitblijven van een gebaar binnenkort met ‘extremisten’ die met niets minder dan volledige onafhankelijkheid genoegen zouden nemen. Van Starkenborgh, in de woorden van Joop de Jong ‘met weinig politieke antennes gezegend’, gaf geen krimp en bracht in september 1938 een afwijzend advies uit naar Den Haag.2
Op 16 november 1938 wees de regering-Colijn IV de petitie bij Koninklijk Besluit af. De afwijzingsgronden waren dat de petitie in strijd zou zijn met artikel 1 van de Grondwet (Nederlandsch-Indië was sinds 1922 immers geen kolonie meer maar een ‘overzees gebiedsdeel’), en dat reeds in gang gezette bewegingen om de inheemse betrokkenheid bij het binnenlandse bestuur te vergroten de tijd moest worden gegund. Voor de Indonesische nationale beweging was de afwijzing een keerpunt: de constitutionele weg naar zelfstandigheid was hiermee feitelijk gesloten en de hoop verschoof naar bredere politieke mobilisatie en, na 1942, naar de Japanse bezetter. Voor de Indo-Europese gemeenschap, die binnen het IEV een autonoom Indië binnen het Koninkrijk had gesteund, betekende de afwijzing dat ook hun strategie om de Indo-Europese positie te verankeren in een gemeenschappelijke Indisch-Nederlandse toekomst van tafel was. Verscheidene historici, onder wie Joop de Jong en Nicolaas Gouka, beschouwen de afwijzing als het belangrijkste dieptepunt van de Nederlandse koloniale politiek in het interbellum.2,4
Japanse bezetting en de weg naar 1945
Na de Nederlandse capitulatie in maart 1942 werd het Volksraad-werk door de Japanse bezetter ontbonden. In 1943 werd Soetardjo door de Japanse autoriteiten benoemd tot resident van Jakarta, en hij werd opgenomen in de Badan Penyelidik Usaha-usaha Persiapan Kemerdekaan (BPUPK), de door de Japanners ingestelde Onderzoekscommissie ter Voorbereiding van de Onafhankelijkheid, waarin onder anderen ook Soekarno en Hatta zitting hadden. Tevens verkreeg Soetardjo een militaire rang binnen de PETA (Pembela Tanah Air), de door de Japanners opgerichte Indonesische hulpmilitie. Deze stappen vormden de praktische brug tussen zijn vooroorlogse rol als constitutioneel hervormer en zijn naoorlogse rol als bestuurder van de jonge Republiek Indonesië.1
Gouverneur West-Java en de bersiap-periode
Op 17 augustus 1945, drie dagen na de Japanse capitulatie, riepen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van Indonesië uit. Op 19 augustus 1945 werd Soetardjo benoemd tot eerste gouverneur van de Indonesische provincie West-Java (Jawa Barat) van de Republik Indonesia, met zetel te Bandung. Hij vervulde deze functie tot 14 januari 1946, in de chaotische maanden van de bersiap-periode waarin Republikeinse milities, terugkerende Nederlandse en Britse troepen, Indo-Europese gemeenschappen en Indonesische nationalisten in een onoverzichtelijke strijd verkeerden. Bandung werd in deze periode gedeeltelijk in brand gestoken (de bekende Bandung Lautan Api van maart 1946 vond na zijn vertrek plaats); Soetardjo’s rol als gouverneur stond onder zware logistieke druk. Hij werd opgevolgd door Datuk Djamin Bagindo. Later was hij lid van de Dewan Pertimbangan Agung, de Indonesische Hoge Adviesraad. Hij overleed op 20 december 1976 te Jakarta, zes-en-tachtig jaar oud.1
Plaats binnen de Indisch-Indonesische geschiedenis
Voor de Indisch-Indonesische geschiedenis behoort Soetardjo Kartohadikoesoemo tot een specifieke categorie scharnierfiguren: de generatie inheemse bestuursambtenaren die binnen het koloniale stelsel opklommen tot de hoogste inheemse bestuursposities en, door diezelfde ervaring, de constitutionele hervorming als enige reële route naar Indonesische zelfstandigheid bepleitten. De Petitie-Soetardjo en haar afwijzing markeren een keerpunt waarop voor de Indo-Europese gemeenschap een bijzondere historische lading rust: hier had een gezamenlijk Indisch-Nederlands toekomstmodel gestalte kunnen krijgen, met het IEV als formele bondgenoot van Soetardjo. De afwijzing in 1938 sloot deze deur en zette een ontwikkeling in gang die uiteindelijk in de gewelddadige soevereiniteitsoverdracht van 1949 zou eindigen. Dat Soetardjo zelf via de Japanse bezetting, BPUPK en PETA in de jonge Republiek belandde als gouverneur van West-Java, illustreert de continuïteit van personen door drie politieke regimes heen die zo karakteristiek is voor de Indisch-Indonesische overgang.1,4
Bronnen en literatuur
- Lemma ‘Soetardjo Kartohadikoesoemo’, Wikipedia (Engelstalig en Nederlandstalig), met loopbaandata van OSVIA tot gouverneurschap West-Java en de rol tijdens de Japanse bezetting; Wikidata, entiteit Q14362663.
- B. ter Steege, ‘Petitie-Soetardjo (1936–1938): dieptepunt in koloniale politiek Indië’, op Historiek.net (2024), met biografische data, het pamflet Grieven van den Inlandschen Bestuursambtenaar (1919), het onderhoud Soetardjo — Van Starkenborgh, en historische beoordelingen door Joop de Jong en Nicolaas Gouka.
- Lemma ‘Petitie-Soetardjo’, op Netwerk Oorlogsbronnen (oorlogsbronnen.nl), met de volledige tekst van de petitie en de chronologie 29 september 1936 — 16 november 1938.
- Nicolaas Gouka, De Petitie-Soetardjo. Een Hollandse Misser in Indië (1936–1938). Proefschrift Universiteit Utrecht; tevens M.C. Ricklefs, A History of Modern Indonesia since c. 1200, vierde druk, Stanford University Press 2008, sectie over de Soetardjo-petitie.
- Lemma ‘Soetardjo Petition’, Wikipedia (Engelstalig), met de stemverhouding 26 tegen 20, de Nederlandse afwijzingsgronden, en de rol van Thamrin’s Nationale Fractie en van de partijen PSII, PNI, Parindra en Gerindo.
- L.J. Giebels, R. Cribb (red.), The Memoirs of Ali Sastroamidjojo, KITLV Press, Leiden 1979, met details over de bredere context van de petitie binnen de Indonesische nationale beweging.
- Joop de Jong, De waaier van het fortuin. De Nederlanders in Azië en de Indonesische archipel 1595–1950. SDU, Den Haag 1998, hoofdstukken over de Volksraad en de petitie-Soetardjo.
- Volksraad-handelingen, juli en september 1936, motie Soetardjo, gedigitaliseerd via Delpher (Indische Staatsbladen); persoonsdossier Soetardjo Kartohadikoesoemo, Arsip Nasional Republik Indonesia (ANRI), Jakarta.
Auteur: SIGE-redactie. © BWNI. In bronvermeldingen aan te halen als: Kartohadikoesoemo, Soetardjo, ‘Biografisch Woordenboek van Nederlandsch-Indië’, indischgenealogischerfgoed.nl/bwni/kartohadikoesoemo-soetardjo/


