Afkomst en opkomst als landhuurder

Arent Bernhardt Kraag werd op 16 mei 1808 geboren te Djokjakarta. Hij was een zoon van Frans Hendrik Kraag, die als sergeant bij de cavalerie van het Oost-Indische Leger had gediend en zich vervolgens als landhuurder had gevestigd in het Djokjakartase, en van Anna Maria Arends. Arent Bernhardt zette de ondernemersloopbaan van zijn vader voort en verwierf de eigendom van verscheidene landhuurondernemingen in de vorstenlanden: Wanoedjojo, Peteer (ook gespeld als Petir) en Blitaran in de residentie Djokjakarta, en Gedaren in de residentie Soerakarta. De vorstenlanden waren in de negentiende eeuw de kern van de Javaanse suikercultuur, en landhuurders als Kraag hadden een sleutelrol in de agrarische productie.

Kerkelijk en maatschappelijk leven

Kraag was een actief lid van de protestantse gemeenschap te Djokjakarta. Hij diende als diaken van de plaatselijke protestantse gemeente van 1839 tot 1842 en opnieuw van 1850 tot 1859. Gedurende de periode 1852–1859 was hij tevens kerkmeester. Deze betrokkenheid bij de kerkelijke organisatie weerspiegelde zijn positie als gerespecteerd lid van de Euro-Indische gemeenschap. Naast zijn kerkelijke functies was Kraag lid van de vrijmetselaarsloge Mataram te Djokjakarta, een gebruikelijke sociabiliteitsstructuur onder de meer welgestelde koloniale gemeenschap. In 1887, ter gelegenheid van zijn tachtigjarig jubileum als lid, werd hij gepromoveerd tot Meester van Eer — een bijzondere erkenning voor zijn langdurige trouw aan de loge.

Huwelijk en nageslacht

Op 26 september 1838 huwde Kraag te Djokjakarta met Fredrica Josina Schalk, geboren op 28 februari 1811 te Djokjakarta als dochter van Adrianus Schalk en Frederica Josina Senstius. Uit dit huwelijk werden zeven kinderen geboren, van wie twee levenloos. Fredrica Josina overleed op 16 februari 1856 te Djokjakarta. Naast zijn wettige kinderen erkende Kraag een zoon, Herman Willem Lambertus, verwekt bij de inlandse vrouw Satirah.

Overlijden

Arent Bernhardt Kraag overleed op 6 december 1894 te Djokjakarta, op de opmerkelijke leeftijd van 86 jaar. Hij had zijn gehele leven in de vorstenlanden doorgebracht en was daarmee een van de langst verblijvende leden van de Euro-Indische gemeenschap aldaar. Zijn leven overspande bijna de gehele negentiende eeuw en getuigde van de verankering die Indo-Europese families als de Kraags in de koloniale samenleving van Djokjakarta hadden opgebouwd.