Afkomst en vroege loopbaan als militair apotheker

Arent Bernhardt Kraag werd op 16 mei 1807 geboren te Djokjakarta — níet in 1808, zoals in sommige oudere publicaties (o.a. De Indische Navorscher en de Bronnenpublikaties van de Indische Genealogische Vereniging) abusievelijk is vermeld. Hij was een zoon van Frans Hendrik Kraag, een dragonder en later sergeant bij de cavalerie van het Oost-Indisch Leger die zich na zijn militaire loopbaan als landhuurder in het Djokjakartase had gevestigd, en van Anna Maria Arends, geboren te Semarang in 1787. Frans Hendrik was een invloedrijk man in de protestantse gemeenschap te Djokjakarta: hij diende als ouderling van de plaatselijke kerk en als directeur van de Bank van Lening aldaar.

Arent Bernhardt koos aanvankelijk voor een medisch-pharmaceutische loopbaan. Als élève pharmacie bereidde hij zichvoor op het apothekervak, en op 17 maart 1828 werd hij aangesteld als militair apotheker 3e klasse te Djokjakarta. Later werd hij overgeplaatst naar het militair hospitaal te Semarang. In 1838 vroeg hij eervol ontslag uit de militaire dienst, waarna hij de ondernemersloopbaan van zijn vader voortzette als landhuurder in de Vorstenlanden.

Landhuurder in de Vorstenlanden (1838–1894)

Als landhuurder exploiteerde Kraag agrarische ondernemingen op gronden die werden gehuurd van de vorsten van Djokjakarta en de inheemse adel. In 1865 stond hij in de Indische almanak als eigenaar van de indigo-ondernemingen Blitaran, Petir en Wanoedjojo in het Djokjakartase. Tien jaar later had hij zijn portefeuille uitgebreid met de suiker- en koffieonderneming Gedaren in het Solose. Na zijn overlijden in 1894 bleven al deze ondernemingen in handen van zijn erfgenamen — zijn kinderen Emelia Maria, George Eduard Alexander, Anna Maria Cortiana en Godert Constantijn Nicolaï. Landhuurbedrijven als die van Kraag hadden in de negentiende eeuw een sleutelrol in de agrarische productie op Java en leverden suiker, indigo, koffie en tabak voor de Europese markt.

Kerkelijk en maatschappelijk leven

Kraag was een actief lid van de protestantse gemeenschap te Djokjakarta, waar hij tweemaal diende als diaken (1839–1842 en 1850–1859) en ook kerkmeester was (1852–1859). Net als zijn vader was hij tevens lid van de vrijmetselaarsloge Mataram te Djokjakarta. Op 16 mei 1887, bij de viering van zijn tachtigste verjaardag, bracht een groot deel van de inwoners van Djokjakarta hem een openbare ovatie: een optocht met de bataillonsmuziek en circa veertig fakkeldragers trok van de Sociëteit naar zijn woning. Als oudste lid van de Sociëteit ontving hij het erelidmaatschap; de Djokjase loge bevorderde hem tot Meester van Eer. Na een feestrede door de president van de Sociëteit volgde een voorstelling door het toneelgezelschap Thalia en een bal dat tot in de vroege ochtenduren duurde.

Huwelijk, nageslacht en overlijden

Op 26 september 1838 huwde Kraag te Djokjakarta met Fredrica Josina Schalk, geboren op 28 februari 1811 als dochter van Adrianus Schalk en Frederica Josina Senstius. Uit dit huwelijk werden zeven kinderen geboren, van wie twee levenloos. Fredrica Josina overleed op 16 februari 1856 te Djokjakarta. Naast zijn wettige kinderen erkende Kraag een zoon, Herman Willem Lambertus (geb. 1869), verwekt bij de inlandse vrouw Satirah. Arent Bernhardt Kraag overleed op 6 december 1894 te Djokjakarta, op de opmerkelijke leeftijd van 87 jaar. Een In Memoriam verscheen op 14 december 1894 in De Nieuwe Vorstenlanden.