Aristocratische jeugd te Yogyakarta

Raden Mas Jodjana werd op 23 februari 1893 te Yogyakarta geboren. Zijn beide ouders waren verbonden met de vorstenfamilie van Yogyakarta; zijn moeder vervulde aan het hof de functie van ceremoniemeesteres. Naast de aristocratische opvoeding in klassieke Javaanse dans, gamelan en wajang volgde Jodjana, op aandringen van een schooldirecteur en met instemming van zijn moeder, ook Europees onderwijs. Hij doorliep de Opleidingsschool voor Inlandse Ambtenaren te Magelang, waar hij in 1910 afstudeerde, en werd vervolgens aangesteld bij de koloniale administratie van het departement van Binnenlandse Zaken. Tegelijk volgde hij in Batavia de Opleidingsschool voor Inlandse Rechtskundigen. Zijn dansopleiding kreeg hij van prins Soerjodiningrat, broer van de sultan, aan de dansacademie Krida-Beksa-Wirama.1,2

Naar Nederland 1914

In 1914 reisde Jodjana naar Nederland in het gezelschap van de troonopvolger van Yogyakarta, de latere sultan Hamengkubuwono VIII (regeringstijd 1921–1939), die in Leiden ging studeren. Jodjana zelf schreef zich in aan de Rotterdamsche Handelsschool en had het voornemen na zijn studie een ambtelijke positie in Nederlandsch-Indië te aanvaarden, een gangbare loopbaan voor een Javaans aristocraat van zijn rang.1,3

De keerpunt-avond, maart 1916

Eind 1915 werd Java getroffen door zware overstromingen. Op initiatief van de Indische Vereeniging, de afdeling Den Haag van de Vereeniging Oost en West, en de Indologen Vereeniging werd op 15 en 17 maart 1916 in de Haagsche Schouwburg een ‘soirée artistique’ georganiseerd, waarvan de opbrengst naar de getroffen gebieden zou gaan. Het initiatief werd gesteund door koningin Wilhelmina en prins Hendrik, die beiden in de zaal aanwezig waren. De Indische studenten in Nederland werd gevraagd het programma te verzorgen. Jodjana en zijn vrienden voerden, naast gamelanmuziek en voordrachten, enkele klassieke Javaanse hofdansen op. Tot zijn eigen verbazing bleek Jodjana de meest getalenteerde danser van de groep: hij danste de rol van de ijdele koning Kelono in de Reog Ponorogo en werd de ster van de avond.2,4

De gerenommeerde criticus Henri Borel schreef in Het Vaderland: ‘Nog nooit heb ik in Europa zulk een zuiver, geestelijk kunstgenot van muziek, dans en toneel ondergaan.’ De voorstelling werd op verzoek nog tweemaal opgevoerd. Enkele maanden later vroeg het Utrechtse studentencorps de groep voor een vergelijkbaar optreden tijdens de lustrumfeesten van de universiteit, opnieuw met groot succes. Met de opbrengsten en het ondersteunend ‘Oost-Indisch Toonkunst-fonds’ van de Indische Vereeniging besloot Jodjana zich aan de danskunst te wijden; vanaf 1919 was de dans zijn voltijdberoep.4

Vriendschap met Isaac Israëls

Onder het publiek van de liefdadigheidsavonden in maart 1916 bevond zich de Haagse impressionist Isaac Israëls, die direct werd getroffen door de Javaanse dansers. Tussen Jodjana en Israëls ontstond een vriendschap die het volgende decennium zou aanhouden. Israëls schilderde tussen 1916 en 1919 verschillende portretten van Jodjana in danskostuum, waaronder werken die zich nu bevinden in het Van Abbemuseum (Javaanse Danser, 1921–1922) en in particulier bezit. Jodjana nam op zijn beurt schilderlessen bij Israëls. Toen Israëls in oktober 1921 naar Nederlandsch-Indië reisde, opende Jodjana’s connectie met de Surakartanese vorstenfamilie hem de toegang tot het hof aldaar, waar Israëls verschillende werken schiep. Het is een van de hechtste Indisch-Nederlandse kunstenaarsvriendschappen van de twintigste eeuw.5,6

Huwelijk, internationale loopbaan en Den Haag

In 1923 huwde Jodjana de zangeres Elisabeth Anna Carolina Pop (1888–1981/1982), die in Londen een muziekopleiding had gevolgd. Door het huwelijk verkreeg zij de titel Raden Ayou Jodjana. Zij begeleidde haar man op de piano bij optredens, schreef artikelen over Javaanse danskunst en bewegingsleer, en gaf later samen met hem cursussen. Het echtpaar vestigde zich te Den Haag aan de Valkenboskade. In 1924 werd hun zoon Bhimo geboren, in 1926 hun dochter Parvati. Jodjana’s repertoire breidde zich uit van strikt klassieke hofdansen, zoals over de god Shiva, naar nieuwe choreografieën met meer abstracte thema’s, waaronder een dans over de overgang van de dag in de nacht (titel: Groene Schemer) en een rijstdans gebaseerd op alledaagse landbouwgebaren. Hij verdedigde zijn vernieuwingen tegen conservatieve kritiek door erop te wijzen dat ook aan de Javaanse hoven de danskunst altijd in beweging was geweest.1,4

Internationaal trad Jodjana op in Duitsland, Frankrijk, Engeland en Hongarije. Hij behoorde tot de weinige Javaanse dansers in Europa die volledig van zijn kunst kon leven. In 1935 ontving Menno ter Braak hem voor een gesprek aan diens huis aan de Valkenboskade, dat in Het Vaderland verscheen, en waarin Jodjana het verschil tussen Javaanse hofdans en pantomime, en de blijvende bewegelijkheid van de hoftraditie, formuleerde.7

Zuid-Frankrijk en de oorlog

In 1936 verhuisde het echtpaar naar Zuid-Frankrijk. De Tweede Wereldoorlog bracht de zwaarste persoonlijke slag in Jodjana’s leven. Op weg met zijn vader naar Nederlands-Indië voor een bezoek werd zoon Bhimo in november 1943 in een Duitse razzia opgepakt. Hij werd afgevoerd naar concentratiekamp Buchenwald, waar hij op 8 juni 1944 op twintigjarige leeftijd overleed. Voor het echtpaar Jodjana zou deze gebeurtenis een blijvend trauma vormen.1

Naoorlogs Nederland en La Réole

Na de oorlog keerden Raden Mas en Raden Ayou Jodjana terug naar Nederland, waar zij beiden gingen lesgeven aan de Toneelschool te Amsterdam. Jodjana doceerde tevens aan de Amsterdamse Academie voor Dramatische Kunst, en het echtpaar verzorgde gezamenlijk cursussen in Javaanse danskunst en bewegingsleer. Zijn lezingen hechtten grote waarde aan de natuurlijke houding van het menselijk lichaam, met aandacht voor het verschil tussen de Europese balletvocabulaire en de Javaanse danskunst, waarin de bewegingen van de man (van binnen naar buiten gericht, zijwaarts gestrekte armen) en die van de vrouw (van buiten naar binnen, ellebogen tegen de heupen) duidelijk gemarkeerd zijn, met een derde, gendermenging-vorm aloes voor verfijnde mannelijke figuren.8

Jodjana keerde nooit meer terug naar Indonesië. In 1970 dwongen gezondheidsproblemen hem en zijn vrouw zich te vestigen bij hun dochter Parvati en haar echtgenoot, beiden artsen, in La Réole, een stadje in het Franse departement Gironde. Daar overleed hij op 20 september 1972, op zevenenzeventigjarige leeftijd, terwijl zijn vrouw op dat moment een bezoek bracht aan zijn geboorteland. Raden Ayou Jodjana overleefde hem; zij overleed in 1981 of 1982.1,4

Nalatenschap

Het persoonlijk archief van het echtpaar Jodjana bevindt zich in de Theatercollectie van het Allard Pierson aan de Universiteit van Amsterdam, en is recent geïnventariseerd voor onderzoekers; het bevat correspondentie, lezingen, foto’s en documentatie van bijna zestig jaar Javaans-Europese dansgeschiedenis. Voor de Indische cultuurgeschiedenis is Jodjana de eerste Indonesische danser die internationale bekendheid verwierf en het Westerse podium met klassieke Javaanse danskunst veroverde. Voor de Indo-Europese danstraditie is hij een mentor-figuur waarvan de invloed doorwerkt in de generatie die hem opvolgde, onder anderen de Indo-Europese danser Indra Kamadjojo (Leo Broekveldt). De aanwezigheid van Jodjana’s portret in collecties als die van het Van Abbemuseum, het Rijksmuseum en talrijke particulieren herinnert aan de iconische plaats die hij in de Nederlandse kunstgeschiedenis van de eerste helft van de twintigste eeuw innam.9,10