Plaats in het BWNI: een ballingschap als koloniaal-Indische verbinding

Tuanku Imam Bonjol werd geboren in een Minangkabaus religieus milieu en behoorde niet tot de Europese samenleving in Nederlandsch-Indië. Zijn opname in het BWNI rust op de zevenendertig jaren ballingschap onder Nederlands gouvernement-toezicht in de Minahasa, en in het bijzonder op de genealogische lijn die van zijn bewaker, de Indische korporaal Apolos Minggu en diens Minahassische echtgenote Wilhelmina Parengkuan, afdaalt naar de huidige Islamitische gemeenschap te Lotta. Dat verband, hieronder uitgewerkt, plaatst zijn levensloop in de Nederlands-koloniale administratieve geschiedenis en in de genealogische geschiedenis van een Indo-Minahassische familie die tot vandaag het graf van de pahlawan beheert.1

Padri-beweging en de eerste Nederlandse interventie

Muhammad Shahab werd circa 1772 te Tanjung Bungo bij Bonjol geboren als zoon van Khatib Bayanuddin Shahab, een islamitisch geleerde, en Hamatun, volgens enkele Indonesische bronnen van Noord-Afrikaanse oorsprong. Zijn eerste religieus onderwijs ontving hij van zijn vader; tussen circa 1800 en 1802 verbleef hij voor verdere studie te Atjeh, een centrum van islamitisch onderwijs, en kreeg er de eretitel Malim Basa. Na terugkeer in West-Sumatra werd hij door Tuanku nan Renceh, een van de Harimau nan Salapan (de ‘Acht Tijgers’), aangesteld tot Imam van de Padri-gemeenschap te Bonjol. Sindsdien zou de combinatie Tuanku Imam Bonjol zijn meest gebruikte naam zijn.2

De Padri-beweging, geïnspireerd op het Wahhabisme dat Sumatraanse hadji’s in Mekka in de late achttiende eeuw hadden leren kennen, streefde een gezuiverde islam na, met strikte tawhid en afwijzing van wat zij bid’ah noemde: gokken, hanenvechten, opium- en alcoholgebruik, eerbetoon aan heiligengraven en een aantal Soefi-praktijken. Daarmee was de beweging nadrukkelijk anti-Soefi, en de bewering dat Imam Bonjol persoonlijk lid was van de Naqsyabandiya-orde, die in eerdere webfragmenten over hem rondgaat, mist een primaire-bron-onderbouwing en past slecht bij de ideologische lijn van de Padri’s. De interne strijd binnen de Minangkabause samenleving, tussen Padri-hervormers en de Adat-aristocratie met haar matrilineaire eigendomsstructuur, leidde op 21 februari 1821 tot het Plakaat van Padang, waarin de Adat-elite Nederlandse militaire hulp tegen de Padri’s vroeg in ruil voor erkenning van Nederlands gezag in het Minangkabause binnenland (de darek). Daarmee werd een Sumatraans religieus-sociaal conflict een koloniale oorlog.3

Verdrag van Masang, gezamenlijke front en zes maanden beleg

Tussen 1821 en 1824 stuitten de Nederlandse troepen op zo’n hardnekkig Padri-verzet onder Imam Bonjol dat het Gouvernement, in dezelfde jaren als de Java-oorlog (1825–1830), naar onderhandeling greep. Het Verdrag van Masang (1824), gesloten onder gouverneur-generaal Johannes van den Bosch, schiep een wapenstilstand met de staat Bonjol. Toen na het einde van de Java-oorlog het Nederlandse leger weer middelen vrij had, werd in 1832 door luitenant-kolonel Ferdinand P. Vermeulen Krieger een grote Bataviaanse infanteriemacht naar West-Sumatra gezonden; in oktober 1832 werden de Padri-bolwerken in Luhak Limo Puluah en in december van datzelfde jaar Kamang ingenomen. Imam Bonjol zelf werd in 1832 gevangen genomen maar ontsnapte na drie maanden; hij hervatte de strijd vanuit het versterkte Bonjol op de Tajadi-heuvel.4

Onder druk van de gemeenschappelijke Nederlandse vijand verzoenden Padri en Adat zich in 1833 in het Plakat Puncak Pato te Tabek Patah; vanaf dat jaar streden zij in vereenigd front. In de eerste maanden van 1837 zond gouverneur-generaal Dominique Jacques de Eerens majoor-generaal Cochius naar West-Sumatra, een officier met expertise in fortenoorlog. Onder zijn opperbevel en met luitenant-kolonel Andreas Victor Michiels als veldcommandant werd Bonjol vanaf 16 maart 1837 zes maanden lang belegerd. Op 15 augustus viel de Tajadi-heuvel, op 16 augustus 1837 werd het fort Bonjol genomen. Imam Bonjol zelf wist met enkele volgelingen naar Marapak terug te trekken. Op 25 oktober 1837 werd hij, op uitnodiging te Palupuh, onder valse vrijgeleide gearresteerd. Voor het Nederlandse koloniale narratief was dit het einde van de Padri-oorlog; voor de twintigste-eeuwse Indonesische geschiedschrijving werd het de symbolische bevestiging van koloniale verraderlijkheid en de noodzaak van zelfbestuur.5

Ballingschap in de Minahasa: van Cianjur naar Lotta

Na zijn arrestatie werd Imam Bonjol verbannen naar Cianjur in West-Java, vervolgens in 1839 naar Ambon, en uiteindelijk naar de residentie Manado. De aankomstdatum in Lotta in het Pinelengse gebied wisselt per bron: Indonesische staatsbronnen en de RRI-Manado spreken van 1841, terwijl het door de Minangkabause historicus Sjafnir Aboe Nain Dt. Kando Marajo aangehaalde dossier 1850 noemt als datum van Apolos Minggu’s bewakingsopdracht, hetgeen op een latere overplaatsing duidt. Ondergebracht in een eenvoudige houten ballingschapswoning, verbleef Imam Bonjol gedurende zijn laatste levensjaren in Lotta, waar hij volgens lokale overlevering tot het einde van zijn leven dagelijks tuinierde, vee verzorgde en bad op een rotsblok aan de oever van de Sungai Malalayang.6

Hij werd bewaakt door Apolos Minggu, een korporaal van het Nederlands-Indisch Leger in Minahassische dienst. Apolos huwde Wilhelmina Parengkuan, dochter van majoor Parengkuan, een Minahassische adellijke familie die binnen het Nederlandse koloniale stelsel een vooraanstaande positie bekleedde. Het Indisch-koloniale milieu waarin Imam Bonjol zijn ballingschap doorbracht was daarmee niet typisch Europees-totok, maar bestond uit Minahassische Christenen die in de Nederlandse koloniale rangenstructuur waren geïntegreerd, met daarin een korporaal van Apolos’ status als directe bewaker en intermediair. Na verloop van tijd bekeerden Apolos en Wilhelmina, en hun nakomelingen, zich tot de islam; hun afstammelingen, onder wie de huidige bewaarder van het graf Abdul Mutalib (Thalib) Popa, vormen tot vandaag een Islamitische gemeenschap van ongeveer twintig families te Lotta die de gedachtenis van de pahlawan bewaakt en het graf onderhoudt. Voor de Indo-Europese genealogie is dit het feitelijke aanknopingspunt waarmee Imam Bonjol via de Parengkuan-familielijn in een gedocumenteerde Indo-Minahassische lijn opduikt, eenmalig en bij wijze van uitzondering opgenomen in dit BWNI.7

Sterfdatum, herinnering en historiografische status

Op 6 november 1864 stierf Imam Bonjol te Lotta op vermoedelijk tweeënegentigjarige leeftijd. De Indonesische staat hanteert deze datum, evenals de Pahlawan Nasional-decreet van 1973. Op het grafmonument zelf, in Minangkabause bagonjong-stijl, is echter 6 november 1854 vermeld, een datum die door Sjafnir Aboe Nain Dt. Kando Marajo wordt gehouden voor de werkelijke. Het verschil van tien jaar betreft een open historische vraag tussen Indonesische biografische traditie en de officieel-Nederlandse koloniale archiefstand. Op 6 november 1973 werd hij door president Soeharto bij Keputusan Presiden no. 087/TK/1973 tot Pahlawan Nasional Indonesia verklaard. Sinds 1992 verschijnt zijn beeltenis op het Indonesische bankbiljet van vijfduizend rupiah (vanaf 6 november 2001 in een herziene uitgave); de Universitas Islam Negeri Imam Bonjol te Padang, gesticht in 1966, draagt zijn naam.8

Voor de Nederlandse koloniale historiografie van de negentiende eeuw markeerde de val van Bonjol de definitieve consolidatie van Nederlands gezag in West-Sumatra; de gouverneur Sumatra’s Westkust werd op 20 november 1837 niemand minder dan A.V. Michiels, de man die het beleg op het terrein had gevoerd. Voor de Indonesische publieke herinnering werd Imam Bonjol tot een nationale held van de antikoloniale strijd, en daarbinnen tot een omstreden figuur, getuige de kritiek van enkele Batak-historici, in het bijzonder Mangaradja Onggang Parlindungan, die de hardheid van de Padri-campagnes tegen Batak-gebieden hebben aangewezen. Deze historiografische dubbelheid hoort bij het lemma: voor het BWNI is het zaak het verhaal in zijn complexiteit te tonen, niet in heroiësche vereenvoudiging.9