Beleg en val van Bonjol, oktober 1837

De militaire keerpunt in Imam Bonjol’s leven viel in oktober 1837. Na een lang beleg dat onder generaal Andreas Victor Michiels was ingezet en na herhaalde mislukte Nederlandse aanvallen in voorgaande jaren, viel zijn versterkte vesting Bonjol in de Padangse Bovenlanden van West-Sumatra. Imam Bonjol gaf zich over op basis van een Nederlandse vrijgeleide-belofte. Die belofte werd niet nagekomen: hij werd onmiddellijk afgevoerd, eerst naar Cianjur op Java, dan naar Ambon, en uiteindelijk vanaf 1841 naar Pinèleng in de Minahasa op Noord-Celebes, waar hij de overige drieëntwintig jaren van zijn leven in interne ballingschap zou doorbrengen. Voor het Nederlandse koloniale narratief van de negentiende eeuw markeerde de val van Bonjol het einde van de Padri-oorlog die sinds 1821 het gouvernement aanzienlijke militaire en financiële offers had gekost; voor de Indonesische historiografie van de twintigste eeuw werd hetzelfde moment het symbool van koloniale onbetrouwbaarheid en de behoefte aan onafhankelijke nationale opbouw.1

Padri-beweging en religieuze hervorming

Muhamad Sahab werd omstreeks 1772 geboren te Bonjol als zoon van Khatib Bayanuddin, een lokale islamitisch geleerde. Hij trad toe tot de Naqsyabandiya-soefi-orde en kreeg de eretitel Tuanku Imam. De Padri-beweging waarvan hij in de eerste decennia van de negentiende eeuw één van de leiders werd, was een religieuze hervormings- en zuiveringsbeweging die was geïnspireerd op de Wahhabitische beweging waarmee Sumatraanse hadji’s in Mekka in aanraking waren gekomen. De Padri’s wilden de strikte naleving van islamitische voorschriften herstellen onder de Minangkabau-bevolking, en keerden zich daarmee scherp tegen lokale adat-elites en hun gewoonterechtelijke praktijken (matrilineaire erfopvolging, gokken, opium, alcohol). Het was juist die interne strijd tussen Padri-hervormers en adat-aanhangers die in 1821 de poort opende voor Nederlandse militaire interventie: de adat-elites verzochten formeel om Nederlandse hulp tegen de Padri-beweging.2

Oorlogsjaren 1821-1837 en de Plakaat van Padang

Vanaf 1821 voerde Imam Bonjol vanuit zijn versterkte hoofdkwartier een uitgebreide guerrilla tegen het oprukkende Nederlandse leger. De oorlog verliep in fasen, met afwisselend wapenstilstand en hervatting; bij de Plakaat van Padang (1833) erkenden Nederlandse autoriteiten en Padri-leiders een onderling akkoord, maar de strijd ontbrandde opnieuw zodra Nederland de gewonnen posities militair wilde consolideren. In de Nederlandse historiografie van de eerste decennia na de Indonesische onafhankelijkheid werden de Padri-leiders vaak geïnterpreteerd als vroege uitingen van Indonesisch nationalisme; de socioloog Hendrik Bouman analyseerde in zijn studie Enige beschouwingen over de ontwikkeling van het Indonesisch nationalisme op Sumatra’s Westkust (1949, raadpleegbaar via Delpher Boeken) dit verband tussen Padri-religieuze hervorming en de twintigste-eeuwse Indonesische nationale beweging in één analytisch kader.3

Ballingschap in Pinèleng en latere herinnering

In Pinèleng werd Imam Bonjol toegewezen aan een lokale Minahassisch-Christelijke familie. Hij leefde daar in soberheid, schreef nog enkele theologische verhandelingen, en stierf op 6 november 1864 op een leeftijd van vermoedelijk tweeennegentig jaar. Zijn graf bevindt zich tot heden te Pinèleng en is een Indonesische bedevaartsplaats. President Soeharto verleende hem op de honderd-en-negende verjaardag van zijn overlijden, op 6 november 1973, postuum de status van Pahlawan Nasional. In 1992 verscheen zijn beeltenis op het bankbiljet van vijfduizend rupiah; de Universitas Islam Negeri Imam Bonjol te Padang draagt sinds 1966 zijn naam.4

Voor het BWNI verbindt het levensverhaal van Imam Bonjol vier van de centrale geografieën waar het Indo-Europese en Indische erfgoed in is verankerd: West-Sumatra, Java, Ambon en de Minahasa. Voor de Indo-Europese gemeenschap die in de twintigste eeuw vanuit alle vier deze gebieden naar Nederland migreerde, vormt zijn dossier een herinnering aan de oudere onderlaag van het koloniale conflict en aan het inheemse perspectief dat in de Nederlandse familie-overlevering vaak ontbreekt.