Jeugd en handelsopleiding

Jacob Theodoor Cremer werd op 30 juni 1847 te Zwolle geboren als jongste zoon in een gezin van vier kinderen, zoon van de gelijknamige controleur van het kadaster en der directe belastingen en van Louise Toewater. Het geslacht Cremer was in de Gelderse magistratuur lange tijd vertegenwoordigd, met rechters, schepenen en burgemeesters van vooral Zutphen en Doetinchem; Cremers grootvader was rentmeester van de Veluwe en ontvanger der domeinen te Arnhem geweest, en zijn volle neef Jacob Jan Cremer (1827–1880) was de schrijver van de toen alom gelezen Betuwsche novellen. Na de Nutsschool en de Franse school te Zwolle volgde Jacob de jonge in 1859 zijn vader naar Oosterbeek; zijn opleiding werd voortgezet aan het instituut Vethake te Arnhem.1,2

Cremer was bestemd voor de handel. Op zestienjarige leeftijd trad hij als jongste bediende in dienst bij de Arnhemse expediteur en scheepsbevrachter C. Balck. In 1865 kreeg hij op voorspraak van een oom van moederszijde een aanstelling bij de Rotterdamse firma A. Ellerman, groothandel in Oost-Indische producten, lijnzaad en vlas. In 1867 trad hij in dienst van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) na als eerste van twintig kandidaten een vergelijkend examen te hebben gewonnen.1

NHM-Factorij Batavia en Sumatra-tabak

In december 1868 werd Cremer overgeplaatst naar de NHM-Factorij te Batavia. Behalve een jaar 1870 aan het NHM-agentschap te Singapore en een tweede Indische periode in 1871, was hij in deze jaren in Batavia werkzaam. Te Singapore kwam hij voor het eerst in aanraking met de zich snel ontwikkelende tabaksindustrie op Sumatra’s Oostkust, waar Jacob Nienhuys, P.W. Janssen en G.C. Clemen in 1869 de Deli Maatschappij hadden opgericht. Cremer trad in 1871 in dienst van deze nieuwe onderneming als secretaris, en groeide al snel uit tot haar leidende figuur.1

Onder Cremers directeurschap kende de Deli Maatschappij een vrijwel ongeevenaarde groei: het aantal ondernemingen steeg tussen 1870 en 1883 van één naar elf, het aantal pakken tabak (± 158 kg) van 1.315 in 1870 tot bijna 22.000 in 1883, het maatschappelijk kapitaal van 300.000 tot 2 miljoen gulden. Tussen 1871 en 1883 werd jaarlijks gemiddeld 73 procent dividend uitgekeerd. Voor zijn aandeel ontving Cremer rond 1900 jaarlijks ongeveer 600.000 gulden — een bedrag dat ongeveer gelijkstond aan het jaarsalaris van vierduizend arbeiders. Verschillende andere tabaksondernemingen op Sumatra’s Oostkust verkochten hun product via de Deli Maatschappij, die ook als commissionair optrad. De Deli-tabak werd het premium-segment voor sigarendekblad in Bremen, Amsterdam en de Verenigde Staten.1,3

Koeli-Ordonnantie en Deli-Plantersvereeniging

Cremer bundelde de belangen van de Sumatraanse planters door in 1879 de Deli-Plantersvereeniging op te richten, die onder meer ijverde voor de handhaving van de poënale sanctie op het verbreken van arbeidsovereenkomsten door koelies. De Koeli-Ordonnantie, die in 1880 werd ingevoerd, gaf werkgevers het recht om contractbrekers strafrechtelijk te laten vervolgen en lijfstraffen op te leggen. Het stelsel werkte massale werving uit Singapore, Hongkong, Java en zuidelijk India in de hand, en was in feite een vorm van schuldarbeid waarbij contractbrekers tot dwangarbeid konden worden veroordeeld. De ordonnantie werd in 1931 ingetrokken na dreigende boycots van Nederlandse goederen door de Verenigde Staten.4,5

Cremers eigen positie binnen dit complex blijkt onder meer uit zijn brochure De toekomst van Deli. Eenige opmerkingen (1881), die hij tijdens een Europese reis schreef, met klachten over de gebrekkige bestuurlijke voorzieningen op Sumatra’s Oostkust en kritiek op de batig-slotpolitiek waarmee de belangen van Nederland boven die van Indië werden gesteld. Hij pleitte daarin voor verbetering van de infrastructuur. In 1882 vroeg de Deli Maatschappij een spoorwegconcessie aan, die in 1883 werd overgedragen op de Deli Spoorweg-Maatschappij waarvan Cremer de eerste directeur werd.1

Repatriëring, Tweede Kamer en ministerschap

In 1883 keerde Cremer definitief naar Nederland terug, waar hij zich vestigde aan de Herengracht te Amsterdam in het Huis met de Pilaren en in het buitenhuis Duin en Kruidberg te Santpoort. In 1884 werd hij Tweede Kamerlid voor de kiesdistrict Amsterdam in de fractie van de Liberale Unie. Reislustig van aard keerde hij in deze jaren nog verschillende malen tijdelijk naar Indië terug. Op 27 juli 1897 trad hij in het kabinet-Pierson–Goeman Borgesius op als minister van Koloniën, een functie die hij tot 1 augustus 1901 vervulde.6

Als minister gold Cremer als minder radicaal dan zijn links-liberale achtergrond deed verwachten. Een decentralisatieontwerp dat hij in 1900 bij de Tweede Kamer aanhangig maakte werd niet openbaar behandeld. Wel slaagde hij in 1899 in de totstandkoming van de Indische Mijnwet, ter vervanging van een verouderd Koninklijk Besluit uit 1873; hij stelde de cijns op 4 procent van de bruto-opbrengst, hoger dan zijn aanvankelijke voorstel van 2 procent. Tijdens zijn ministerschap weerstond hij in 1898 de dreigende overname van de Indische petroleum-onderneming Moeara Enim door de Standard Oil Company.1,7

NHM-presidentschap en gezantschap Washington

Na zijn ministerschap keerde Cremer in 1901 terug in de Tweede Kamer, waar hij tot 1905 zitting hield. Op 1 augustus 1907 werd hij president-directeur van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, een positie die hij tot 1 januari 1913 bekleedde. In 1912 werd hij lid van de Eerste Kamer voor Noord-Holland, een functie die hij — afgezien van een onderbreking voor zijn gezantschap te Washington — tot 1922 vervulde.6

Op 17 oktober 1918 werd Cremer benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Washington, tevens geaccrediteerd voor Mexico, Panama en Nicaragua. Hij vervulde deze post tot mei 1921, toen hij om gezondheidsredenen ontslag nam. In zijn diplomatieke rol combineerde hij zijn Indische ondernemerschap met de behartiging van Nederlandse belangen in een Verenigde Staten dat na de Eerste Wereldoorlog tot een grootmacht was uitgegroeid.6

Koloniaal Instituut en mecenaat

Cremer was een actief bestuurder van wetenschappelijke en culturele instellingen. In 1910 was hij medeoprichter, samen met dr. H.F.R. Hubrecht, van de Vereeniging Koloniaal Instituut, dat in Amsterdam aan de Mauritskade het gelijknamige gebouw zou doen verrijzen (geopend 1926). Hij werd voorzitter van de Raad van Beheer en bleef die functie tot zijn dood vervullen. Het Koloniaal Instituut zou na de soevereiniteitsoverdracht voortbestaan als Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT), met het Tropenmuseum als bekendste publiekonderdeel.8

Cremer overleed op 14 augustus 1923 te Amsterdam, zesenzeventig jaar oud. In de woorden van zijn opvolger E. Heldring (NHM-dagboek) was hij ‘een sympathieke, robuuste persoonlijkheid’ met ‘een zeer helder oordeel, zonder omwegen zijn meening en zijn bedoelingen te kennen gevende’. Voor zijn dochter en schoonzoon (jhr. mr. H.E.E. Roëll) liet hij in 1914–1915 het landhuis De Lariks bij Assen bouwen op een door hem ontwikkeld agrarisch landgoed van 620 hectare met vijftien boerderijen.9

Plaats in de Indisch-Nederlandse geschiedenis

Voor de Indisch-Nederlandse geschiedenis is Cremer een sleutelfiguur in de overgang van het Cultuurstelsel-tijdperk naar het tijdperk van de particuliere cultuurmaatschappij. De Deli Maatschappij die hij groot maakte, en het door hem mede-vormgegeven koeliestelsel, behoren tot de meest ingrijpende voorbeelden van koloniale arbeidsorganisatie in Zuidoost-Azië. Zijn netwerk van Deli-planters, Indische ondernemers en bestuurlijke families bracht generaties Indo-Europese, Chinese-Indische en Nederlandse families in dezelfde sociaal-economische sfeer samen. Voor de Indisch-genealogische gemeenschap is zijn dossier — en het Deli Maatschappij-archief in het Nationaal Archief — een belangrijk knooppunt voor onderzoek naar Sumatra-stambomen.10