Vroege jaren en vertrek naar Sumatra

Jacob Theodoor Cremer werd op 30 juni 1847 in Zwolle geboren. Op jonge leeftijd vertrok hij naar Nederlands-Indië, waar hij in dienst trad bij een handelshuis in Batavia. In 1869 was hij medeoprichter van de Deli Maatschappij, een onderneming voor de teelt en verhandeling van Sumatra-tabak in de uit moeras- en oerwoudgrond ontgonnen Deli-vlakte rond Medan. Cremer werd directeur van de onderneming en bouwde haar in twee decennia uit tot de meest winstgevende cultuuronderneming van Nederlands-Indië, met afzetmarkten tot in Bremen en de Verenigde Staten waar Deli-tabak het premium-segment voor sigarenomwikkeling werd.1

Vorst van Deli en het koeliestelsel

Onder Cremers leiding ontwikkelde Deli zich tot een nieuwe Indische maatschappij waar Europese planters, Chinese koeliës en Javaanse contractarbeiders in een uiterst hiërarchische orde samenleefden. De Deli Maatschappij rekruteerde via wervingskantoren in Singapore, Hongkong en Java tienduizenden contractarbeiders die onder de Koeli-Ordonnantie van 1880 strikt aan hun werkgever waren gebonden, met strafrechtelijke sancties bij contractbreuk. Hoewel Cremer en zijn opvolgers door tijdgenoten als verlichte ondernemers werden beschouwd — met scholen, ziekenhuizen en pensioenregelingen voor het personeel — werd het koeliestelsel onder publicaties als J. van den Brand’s De millioenen uit Deli (1902) en latere historische studies steeds kritischer geanalyseerd. Voor de hedendaagse koloniaal-historische beoordeling geldt Cremers Deli-systeem als een van de meest indringende voorbeelden van koloniaal arbeidsdwangstelsel.2

Minister, Tweede Kamer en gezant

In 1883 keerde Cremer naar Nederland terug. Hij vestigde zich in Den Haag en Amsterdam, werd lid van de Tweede Kamer voor de Liberale Unie en in 1897 minister van Koloniën in het kabinet-Pierson, een post die hij tot 1901 bekleedde. Onder zijn ministerschap werden de eerste, voorzichtige stappen gezet richting wat later de Ethische Politiek zou worden genoemd: investeringen in onderwijs, irrigatie en gezondheidszorg in Indië uit de overschotten van het Cultuurstelsel-tijdperk. Van 1907 tot 1910 was Cremer Nederlandse gezant in de Verenigde Staten te Washington, een diplomatieke post die zijn ondernemerschap en bestuurlijke ervaring combineerde.3

Mecenaat en latere jaren

Cremer was actief als kunstmecenas en bestuurder van wetenschappelijke en culturele instellingen, onder meer het Koninklijk Instituut voor de Tropen (toen Koloniaal Instituut) waarvan de bouw aan de Mauritskade in Amsterdam mede uit zijn fondsenwerving voortkwam. Hij overleed op 14 augustus 1923 te ‘s-Gravenhage en werd in zijn graf bijgezet onder uitgebreide eerbewijzen vanuit Indische, Nederlandse en Amerikaanse zijde.

Voor de Indische genealogie is Cremer een belangrijke knooppunt-figuur: zijn netwerk van Deli-planters, Indische ondernemers en bestuurlijke families bracht generaties Indo-Europese, Chinese-Indische en Nederlandse families in dezelfde sociaal-economische sfeer samen. De familienaam Cremer keert in vele Sumatra-stambomen terug, evenals de archief-namen van zijn directiekring zoals Hofstede, Janssen, Brouwer en Coenen.