Zwitserse jeugd, naar Harderwijk

Hans Christoffel werd op 13 september 1865 te Rothenbrunnen in het Zwitserse kanton Graubünden geboren in een boerenfamilie. In 1882 begon hij zijn middelbare opleiding aan het Bündner Kantonsschule te Chur, dat hij zonder diploma verliet. Een onbevestigde overlevering vermeldt een kort theologiesemester aan de universiteit van Bologna vóór zijn vertrek uit Zwitserland in 1884. Via Italië en Duitsland reisde hij naar Harderwijk, waar het Koloniaal Werfdepot van het KNIL gevestigd was. Op 7 maart 1886 trad hij voor zes jaar in dienst.1,2

Atjeh-oorlog en Tijgerbrigade

Na een eerste plaatsing op Java werd Christoffel als korporaal in 1887 naar de Molukken overgeplaatst. In 1892 verlengde hij zijn contract en werd hij naar Atjeh overgeplaatst, waar het KNIL sinds 1873 een uitputtende guerrilla-oorlog tegen het lokale verzet voerde. Christoffel bewoog zich daar in de frontlinie en doorliep de hogere onderofficiersrangen tot adjudant-onderofficier (1897).1

Bij koninklijk besluit van 3 juni 1901 werd hij benoemd tot ridder vierde klasse in de Militaire Willemsorde voor zijn verdiensten in Atjeh; op 23 oktober 1901 volgde een eervolle vermelding in een dagorder. In 1902 werd hij ingedeeld bij het Korps Marechaussee te voet, in de Indische pers en in Indonesische bronnen aangeduid met de term marsose (een verbastering van het Franse maréchaussée, de oorspronkelijke benaming van de Franse rijksgendarmerie). Het korps was in 1890 opgericht omdat het reguliere KNIL met zijn grote bezettingskolonnes de guerrillatactiek van het Atjehse verzet niet aankon. De marsose opereerde in kleine, lichte patrouilles van zestien man — doorgaans één Europese officier of onderofficier en vijftien inheemse soldaten uit Ambon, de Molukken of de Minahasa — die zonder vaste basis door het oerwoud trokken en de tegenstander op zijn eigen terrein zochten, bewapend met geweer, revolver en de korte sabel die klewang heet.3

Door de bevolking werd het korps gevreesd onder de bijnaam Coloni Matjan (‘Tijgerbrigade’), naar de rode halsdoeken die de eenheden droegen als zichtbaar teken van hun bereidheid bloed te vergieten. De marsose waren in de praktijk de hardhandigste eenheid van het KNIL: ze brandden dorpen plat, executeerden gevangenen en gevangengenomen verzetsleiders, en opereerden vaak buiten het zicht van de reguliere militaire bevelslijn. Generaal J.B. van Heutsz en Lt-Kol G.C.E. van Daalen gebruikten het korps tussen 1898 en 1907 als hun belangrijkste contraguerrilla-instrument tijdens de zogeheten ‘pacificatie’ van Atjeh, Gajo, Alas en de Bataklanden. Op 5 oktober 1903 werd Christoffel buitengewoon bevorderd tot tweede luitenant wegens zijn optreden in Atjeh op 24 juli en 1 september 1902 en gedurende 30 oktober – 30 december 1902.4

De Gajo–Alas–Bataklanden-expeditie 1904

In 1904 nam Christoffel als hoger officier deel aan de expeditie van luitenant-kolonel G.C.E. van Daalen door de Gajo-, Alas- en Bataklanden, die in de Indonesische historiografie wordt herinnerd om de buitengewone gewelddadigheid waarmee dorp na dorp werd gepacificeerd. Bij KB van 29 juli 1905 werd hij bevorderd tot eerste luitenant en geplaatst à la suite van het Korps Marechaussee in Atjeh en Onderhorigheden. Een Europees verlof in 1905–1906 onderbrak zijn Indische dienst; bij terugkeer in 1906 werd hij ingezet op Celebes (Sulawesi), Timor en Flores, opnieuw tegen lokaal verzet tegen het Nederlandse gezag.1,5

De jacht op Si Singamangaraja XII en zijn dood, 17 juni 1907

De Toba-vorst Si Singamangaraja XII, geestelijk en politiek leider van het Toba-Bataks gebied, voerde sinds 1878 verzet tegen de Nederlandse expansie in Tapanuli. In maart 1907 droeg het koloniaal bestuur Christoffel op, met de hem toekomende ruime bevoegdheden, hem op te sporen en uit te schakelen. Een Bataviase krant berichtte op 27 maart 1907 dat veertig ‘Ambonse’ soldaten uit het garnizoen Cimahi werden geselecteerd om Christoffel bij de jacht bij te staan; tot zijn officieren behoorde luitenant J.H. van Temmen.6

Op 17 juni 1907 sloot een patrouille van de marechaussee onder Christoffels commando Si Singamangaraja XII in bij Aek Sibulbulen, in het dorp Si Onom Hudon op de grens van het huidige Tapanuli Utara en Dairi. In de daarop volgende vuurwisseling werden Si Singamangaraja XII, zijn dochter Lopian, en zijn zonen Patuan Nagari en Patuan Anggi gedood. Het lichaam werd op de markt van Balige aan de Tobabevolking getoond en op 22 juni 1907 te Silindung in militair verband begraven; in 1953 werden de stoffelijke resten herbegraven in het nationale heldengraf te Soposurung, Balige.7,8

Recent onderzoek door Nederlandse en Indonesische historici (Klein Nagelvoort 2017, Kozok 2024) toont aan dat de fatale schoten niet door Christoffel zelf werden gelost: getuigeverklaringen, het stamboek-onderzoek van Van Gent (1923) en het feit dat marsose Johannes Rotikan uit de Minahasa en marsose Adranus Lohy uit Saparua op 7 maart 1908 voor hun aandeel werden onderscheiden met de Militaire Willemsorde, wijzen aan dat Rotikan de schutter was. Of het bevel was Si Singamangaraja XII levend gevangen te nemen of toch te doden, blijft onderwerp van debat: de keuze van Christoffel als commandant, bekend om zijn meedogenloze optreden, en de getuigeverklaring van zijn dochter Rinsan boru Sinambela dat haar vader werd doodgeschoten ondanks zijn bereidheid zich over te geven, voeden de hypothese van een opzettelijke dodelijke afloop.8,9

Onderscheidingen en pensionering

Voor zijn aandeel in de Bataklanden-expedities ontving Christoffel bij KB van 5 december 1908 het ridderkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw, ‘wegens onderscheiding bij de krijgsverrichtingen in het militaire optreden in de Bataklanden’. Hij was eerder ook drager van een eresabel. In totaal omvat zijn onderscheidingenlijst de Militaire Willemsorde, de Orde van de Nederlandse Leeuw en de eresabel voor militaire dapperheid. Rond 1910 werd hij gepensioneerd; De Sumatra Post van 21 oktober 1910 commentariëerde dat hij beter op het hoogtepunt van zijn militaire roem had kunnen verdwijnen dan in de schaduw van een onbeduidend pensioenmoment.1,10

Antwerpen, het MAS en de geroofde collectie

Christoffel huwde in deze periode Adolphina Anna Maria van Rijswijck, dochter van Jan van Rijswijck, burgemeester van Antwerpen. Het echtpaar bezat sinds 1904 een huis aan de Keyserlei te Antwerpen. Na zijn pensionering verbleef Christoffel afwisselend in Indië en Antwerpen; in 1930 vestigde hij zich definitief in België. Op aandringen van zijn echtgenote schonk hij in 1922 zijn omvangrijke collectie objecten uit de Indische archipel — wapens, kunstvoorwerpen, etnografisch materiaal — aan het Etnografisch Museum te Antwerpen, sinds 2011 onderdeel van het Museum aan de Stroom (MAS). Voor de hedendaagse museologie is deze schenking onlosmakelijk verbonden met de wijze waarop de objecten zijn verworven: door aankoop, krijgsbuit en plundering tijdens de militaire operaties in Atjeh, de Bataklanden, op Borneo, Celebes, Timor en Flores. In 2017 onderzocht het Indonesische kunstcollectief Lifepatch in samenwerking met het MAS en M HKA de collectie tijdens een residentie te Antwerpen, met als resultaat de tentoonstelling The Tale of Tiger and Lion over Christoffel en Si Singamangaraja XII.11

Christoffel overleed op 3 april 1962 te Antwerpen, op de leeftijd van zesennegentig jaar. Hij liet voor zover bekend geen rechtstreeks nageslacht na.1

Plaats binnen de Indisch-Nederlandse en Indonesische geschiedenis

Voor de Indisch-Nederlandse genealogie en militaire geschiedenis is Christoffel een referentiefiguur voor de buitenlandse vrijwilligers in het KNIL: van de blanke KNIL-militairen had soms tot zestig procent geen Nederlands paspoort. Voor de gemeenschap van Molukse, Minahasse en andere ‘Ambonse’ KNIL-soldaten en hun nazaten is zijn dossier van belang als het kader waarin hun voorvaderen onder zijn commando dienden. Voor de Indonesische geschiedschrijving is hij de naam die wordt geassocieerd met de moord op een nationale held; de namen van de soldaten Rotikan en Lohy worden in datzelfde verband heroverwogen.8,9