Predikant en literair criticus in Nederland

Conrad Busken Huet groeide op in ‘s-Gravenhage in een liberaal-Hervormd milieu en studeerde theologie aan de Universiteit Leiden. Tussen 1851 en 1862 was hij predikant te Haarlem, waar zijn vrijzinnige preken en zijn theologische geschriften (Brieven over den Bijbel, 1858) hem in conflict brachten met de orthodoxie. Na zijn afscheid van de kansel in 1862 stortte hij zich op de literaire kritiek bij De Gids, waar hij in een reeks scherpe besprekingen het essayistische genre in het Nederlands op een nieuw niveau bracht.1

Hoofdredacteur Java-Bode 1868-1876

In oktober 1868 vertrok het echtpaar Busken Huet naar Nederlandsch-Indië, waar Conrad in dienst trad als hoofdredacteur van de Java-Bode, een toonaangevend Bataviaasch dagblad. In de acht jaren tot zijn terugkeer naar Europa in 1876 schreef hij honderden hoofdartikelen waarin hij koloniale beleidskwesties, Javaanse cultuur en de positie van de Indo-Europese gemeenschap behandelde. Zijn correspondentie uit deze periode (postuum uitgegeven in 1890 door Anne van der Tholl-Busken Huet) vormt een van de belangrijkste primaire bronnen over het Indië van de jaren zeventig en bevat dichte etnografische observaties van Batavia, Soerabaja en de Preanger.2

Het land van Rembrand en de essayistiek

Na zijn terugkeer naar Europa vestigde Busken Huet zich te Parijs, waar hij in betrekkelijke isolatie zijn meesterwerk Het land van Rembrand (1882-1884) schreef, een twee-delige cultuurgeschiedenis van de Republiek der Verenigde Nederlanden in de zeventiende eeuw. Het werk geldt als grondslag van de moderne Nederlandse cultuurgeschiedenis en als één van de meest invloedrijke essayistische prestaties in de taal. Voor de Indië-relatie blijft echter zijn Java-Bode-periode de meest betekenisvolle nalatenschap.3

Overlijden en plaats in de Indische literatuur

Busken Huet overleed plotseling te Parijs op 1 mei 1886, op zevenenvijftigjarige leeftijd. Anne van der Tholl-Busken Huet en hun zoon Gideon redigeerden zijn nalatenschap voor publicatie. In de geschiedenis van de Indische literatuur staat hij één generatie vóór Paul Adriaan Daum (1850-1898) en vormt hij — samen met Multatuli — de essayistische tegenhanger van wat Daum in romanvorm zou doen: het ontleden van het koloniale samenleven van het Europese, Indo-Europese en inheemse Indië.