Hugenoot, theologiestudent en predikant

Conrad Busken Huet werd op 28 december 1826 te ’s-Gravenhage geboren in een familie van Franse Hugenotenoorsprong waarvan vele leden predikant waren in de Waalse Kerk. Hij doorliep het gymnasium en liet zich in 1844 inschrijven als student in de godgeleerdheid aan de Universiteit Leiden, waar hij een uitbundig studentenleven leidde. Hij studeerde tussen 1844 en 1849 ook enige tijd te Lausanne ter verbetering van zijn Frans, dat voor het predikambt in de Waalse Kerk vereist was. In 1851 werd hij na een korte standplaats te Utrecht beroepen als predikant van de Waalse gemeente te Haarlem.1,2

Te Haarlem leerde hij Anne Dorothée van der Tholl kennen, met wie hij op 13 oktober 1859 huwde en in 1860 hun zoon Gideon kreeg. In een gefingeerde briefwisseling met haar formuleerde hij zijn modernistisch-theologische opvattingen over de bijbel; deze werden in 1858 onder de titel Brieven over den Bijbel uitgegeven en veroorzaakten in de orthodox-protestantse kerken grote ophef. Toen bleek dat zijn vrijzinnigheid zijn predikambt onhoudbaar maakte, nam hij in 1862 ontslag.1,3

Literair criticus, journalist, polemist

Vanaf 1862 verdiende Busken Huet zijn brood als dagbladjournalist bij de Opregte Haarlemsche Courant. Tussen december 1862 en januari 1865 was hij daarnaast redacteur van het tijdschrift De Gids, op uitnodiging van zijn vriend E.J. Potgieter; de korte periode waarin hij daar zijn beruchte literaire kritieken schreef vestigde zijn reputatie als ‘de beul van Haarlem’. Begin 1865 verlieten Huet en Potgieter de redactie nadat een artikel van Huet als majesteitsschennis was opgevat. In dezelfde jaren bundelde hij zijn kritieken onder de titel Litterarische fantasiën en kritieken (vanaf 1868, uiteindelijk 26 delen tot 1888).4,5

In 1868 verscheen tevens zijn enige roman Lidewyde, die door zijn voor Nederlandse begrippen openhartige erotiek een schandaal veroorzaakte.1

Hoofdredacteur Java-Bode 1868–1872

In oktober 1868 vertrok het echtpaar Busken Huet met de jonge Gideon naar Nederlandsch-Indië, waar Conrad was benoemd tot hoofdredacteur van de Java-Bode te Batavia. Aan de uitzending kleefde een schaduwzijde die zijn reputatie levenslang zou achtervolgen: zijn overtocht was bekostigd door minister van Koloniën J.J. Hasselman in ruil voor de toezegging de liberale Indische pers van binnenuit te bespioneren ten dienste van een eventuele inperking. Toen deze regeling in 1869 in Nederland uitlekte, kostte zij Busken Huet onder meer de vriendschap met Multatuli, die hem in een brief verbood ‘andere aanraking met hem te zoeken dan door middel van de punt van mijn laars’.6,7

Onder Busken Huet werd de Java-Bode, die sinds 1852 tweemaal per week verscheen, vanaf 1 december 1869 een dagblad. Hij verdiende als hoofdredacteur, naar verluidt, twaalfduizend gulden per jaar, een salaris dat dat van een minister overtrof en waarmee een gewone Indische journalist het vijfentwintigvoudige op zijn vijfhonderd gulden vergeleek. Onder zijn leiding verschoof de toon van de Java-Bode van liberaal naar conservatief.8

Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië 1872–1886

Na een conflict met de eigenaren van de Java-Bode richtte Busken Huet in 1872 zijn eigen dagblad op: het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië. Hij bleef daaraan tot zijn dood in 1886 verbonden, eerst als hoofdredacteur en directeur, later (na zijn terugkeer naar Europa) als Europees correspondent. In 1876 verkocht hij de uitgeverij, drukkerij en circa vijfhonderd abonnementen voor zestigduizend gulden aan de uitgevers Schreutelkamp en Groeneveld, en verliet Indië voor Parijs; de redactionele leiding van zijn krant droeg hij over aan een neef.2,8

Parijs en de cultuurhistorische werken

Vanaf 1876 vestigde Busken Huet zich met zijn gezin te Parijs, in zelfgekozen ballingschap; tot Nederland voelde hij zich na zijn Indische jaren niet meer aangetrokken. In Parijs schreef hij twee grote cultuurhistorische werken: Het land van Rubens (1879), over de Belgische beschaving, en Het land van Rembrand. Studiën over de Noord-Nederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw (twee delen, 1882–1884). Het laatste werk geldt als de grondslag van de moderne Nederlandse cultuurgeschiedenis en heeft de term ‘Gouden Eeuw’ geijkt. Tussendoor leverde hij kopij voor zijn eigen Indische dagblad en voor Nederlandse tijdschriften.1,9

In zijn laatste levensjaar veroorzaakte hij nog een schandaal door koningin Emma in een artikel een ‘Keulsche pottenmeid’ te noemen, hetgeen Huets neef als uitgever van het stuk een proces wegens majesteitsschennis bezorgde. Op 1 mei 1886 stierf Busken Huet plotseling achter zijn schrijftafel, met de pen nog in de hand, werkend aan een artikel over de Duitse dichter Joseph Victor von Scheffel. Hij werd begraven op de begraafplaats Montparnasse (concession à perpétuité nr. 277). Zijn brieven werden in 1890 te Haarlem in twee delen door zijn weduwe en zoon uitgegeven.10,11

Plaats binnen de Indische letteren

Voor de geschiedenis van de Indisch-Nederlandse letteren staat Busken Huet als journalist en commentator aan het begin van een dagbladcultuur waarin koloniaal-bestuurlijke kwesties, literaire kritiek en culturele observatie samenvielen. Zijn Java-Bode-jaren (1868–1872) en zijn vervolgperiode bij het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië (1872–1886) maken van hem de meest invloedrijke Nederlandstalige hoofdredacteur in de archipel van zijn generatie, een generatie vóór Paul Adriaan Daum (1850–1898), die later in Hoe hij Raad van Indië werd en zijn andere romans het Indische bestaan in romanvorm zou ontleden. Tegelijk markeert de affaire-Hasselman dat Busken Huets reputatie in Indië nooit los is geraakt van de schaduw van zijn betaalde overtocht.7